ECLI:NL:RBROT:2024:3703
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning Rotterdam met toekenning immateriële schadevergoeding
Eiser betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in Rotterdam, stellende dat de waarde te hoog was vastgesteld en dat de heffingsambtenaar niet alle onderliggende gegevens had verstrekt. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ niet had geschonden, omdat de gebruikte correctiefactoren al jarenlang bekend waren bij eiser en diens gemachtigde.
De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde van €582.000 niet te hoog was vastgesteld. De vergelijkingsobjecten waren voldoende vergelijkbaar en de door eiser aangevoerde objecten waren niet bruikbaar vanwege verschillen in complex en verkoopomstandigheden. Ook de kwalificatie van voorzieningen als bovengemiddeld was gerechtvaardigd.
Daarnaast stelde eiser een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep. De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn met twee maanden was overschreden en kende een vergoeding van €50,- toe. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €218,75 toegekend voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting gehandhaafd blijven. Eiser krijgt het griffierecht niet terug, maar wel een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van €50,- wegens termijnoverschrijding.