ECLI:NL:RBROT:2024:3794
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Afwijzing dwangsom wegens rechtmatige verdaging beslissing op bezwaar studiefinanciering
Eiser verzocht om een dwangsom omdat de minister niet tijdig zou hebben beslist op zijn bezwaar tegen de afwijzing van een aanvullende beurs en reisvoorziening. De minister had de beslistermijn met zes weken verdagd en de dwangsom afgewezen omdat de ingebrekestelling van eiser te vroeg was ingediend.
De rechtbank beoordeelde of de verdaging rechtmatig was. Eiser stelde dat de verdaging onbevoegd was en in strijd met het fair play-beginsel en het Unierecht, omdat het structureel zou plaatsvinden bij studenten uit andere EU-lidstaten. Eiser trok het onbevoegdheidsverweer in en de rechtbank verwierp de overige bezwaren omdat de minister aannemelijk had gemaakt dat de verdaging noodzakelijk was voor een zorgvuldige behandeling.
De rechtbank concludeerde dat de verdaging rechtmatig was, de ingebrekestelling prematuur en de afwijzing van de dwangsom terecht. Daarnaast had de minister later alsnog een dwangsom toegekend naar aanleiding van een tweede ingebrekestelling. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de dwangsom terecht heeft afgewezen wegens rechtmatige verdaging van de beslissing op bezwaar.