ECLI:NL:CRVB:2014:1459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- A.B.J. van der Ham
- P.W. van Stralen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en intrekking bijstand wegens ontbreken recht op bijstand voor niet-adresloze appellant
Appellant had bijstand toegekend gekregen op grond van de WWB, maar het college van burgemeester en wethouders van Haarlem trok deze bijstand met terugwerkende kracht in omdat appellant niet in de gemeente was ingeschreven en geen gebruik maakte van het aangeboden briefadres.
Appellant stelde dat hij dakloos of adresloos was en daarom aanspraak maakte op bijstand, maar uit zijn eigen aanvraag bleek dat hij tijdelijk op logeeradressen verbleef en ingeschreven stond in een andere gemeente, waardoor geen sprake was van een zwervend bestaan.
Verder stelde appellant dat het college een dwangsom verschuldigd was wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, maar de Raad oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was omdat het college de beslistermijn had verdagen binnen de wettelijke mogelijkheden en appellant het college niet opnieuw in gebreke had gesteld na het verstrijken van de termijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank Haarlem dat het college terecht de bijstand had beëindigd en ingetrokken en dat geen dwangsom verschuldigd was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college heeft terecht de bijstand beëindigd en ingetrokken zonder dat een dwangsom verschuldigd is.