ECLI:NL:RBROT:2024:3825

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 april 2024
Publicatiedatum
26 april 2024
Zaaknummer
ROT 24/3759
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKWet maatschappelijke ondersteuning 2015Artikel 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wegens onduidelijkheid over woonruimte toezegging en belangen minderjarige kinderen

Verzoekster, met drie kinderen waaronder twee minderjarigen, werd na beëindiging van haar huurovereenkomst dakloos en vroeg om maatschappelijke opvang bij de gemeente Rotterdam. Het college wees dit af omdat verzoekster als zelfredzaam werd beschouwd en alleen een huisvestingsvraag had.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege het ontbreken van eigen woonruimte en het einde van tijdelijke opvang. Er is onduidelijkheid over een vermeende toezegging van de gemeente om woonruimte te regelen bij dakloosheid, wat een belangrijke rol speelde bij de minnelijke regeling met de verhuurder.

Gezien de kwetsbare positie van de minderjarige kinderen en het belang van hun woon- en schoolomgeving, acht de voorzieningenrechter het noodzakelijk dat het college verzoekster en haar kinderen voorlopig toegang verleent tot maatschappelijke opvang tot een week na de beslissing op bezwaar.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, en benadrukt dat dit oordeel niet bindend is voor een eventuele bodemprocedure.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college moet verzoekster en haar minderjarige kinderen toegang verlenen tot maatschappelijke opvang tot één week na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/3759

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 april 2024 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster

(gemachtigde: mr. H. Martens),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. A.J. Wintjes).

Inleiding

1.1.
Met het besluit van 27 februari 2024 heeft het college de aanvraag van verzoekster om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om nadere inlichtingen te verstrekken. Nadat partijen over en weer de gevraagde inlichtingen hebben verstrekt, is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1
Verzoekster is in 2021 met haar drie kinderen (van wie twee minderjarig, inmiddels zeven en negen jaar oud) vanuit Curaçao naar Nederland gereisd. Verzoekster is gehuwd met de vader van de kinderen. De echtgenoot van verzoekster woont nog op Curaçao. Verzoekster is met haar drie kinderen gaan wonen op het adres [adres 1], samen met [naam 1] (hierna: [naam 1]). Zij hebben beiden een huurovereenkomst ondertekend. De huurovereenkomsten vermelden dat [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) eigenaar is van de woning, dat [bedrijf 1] vertegenwoordigd wordt door [bedrijf 2], die op haar beurt wordt vertegenwoordigd door [naam 2] (hierna: [naam 2]). [naam 2] heeft de huurovereenkomsten ondertekend.
2.2.
In een kortgedingvonnis van deze rechtbank van 20 september 2022 over de aangezegde ontruiming van de woning is het volgende vermeld:
“4.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat voorshands aannemelijk is dat
[naam 1] en [verzoekster] op grond van huurovereenkomsten met [bedrijf 1] in de woning
verblijven en dat [bedrijf 1] jegens [naam 1] en [verzoekster] niet over een ontruimingstitel
beschikt.”
2.3.
Tijdens een tussen (onder anderen) verzoekster en [naam 1] enerzijds en [bedrijf 1] anderzijds lopende procedure bij het gerechtshof te Den Haag is op 12 februari 2024 een minnelijke regeling bereikt. In het proces-verbaal is het volgende vermeld:
“1. Voor zover tussen [bedrijf 1] c.s. dan wel één hunner enerzijds en/of [naam 1] en [verzoekster] anderzijds sprake is van één of meer huurovereenkomsten met betrekking tot de woning [adres 2], eindigt/eindigen deze met wederzijds goedvinden op 29 februari 2024 om 24:00 uur.
2. [naam 1] en [verzoekster] zullen de woning uiterlijk op donderdag 29 februari 2024 om middernacht leeg en ontruimd opleveren aan [bedrijf 1] c.s., met terbeschikkingstelling van alle sleutels.”
2.4.
Op 27 februari 2024 heeft verzoekster zich bij Centraal Onthaal Gezinnen gemeld en verzocht om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang van de gemeente Rotterdam. De aanvraag is afgewezen op de grond dat verzoekster zelfredzaam wordt geacht en zij uitsluitend een huisvestingsvraag heeft.
2.5.
Verzoekster en haar twee minderjarige kinderen hebben vervolgens onderdak gevonden bij de zoon van de nicht van verzoekster op het adres [adres 3].
2.6.
Naar aanleiding van de voorgenomen sluiting van deze woning in Den Haag op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft verzoekster zich op 12 april 2024 opnieuw bij Centraal Onthaal Gezinnen gemeld. Het college heeft de eerdere afwijzing gehandhaafd.
2.7.
Op 19 april 2024 heeft verzoekster zich met haar twee kinderen gemeld bij de politie in Rotterdam omdat zij en haar kinderen feitelijk dakloos waren geworden. Verzoekster en haar twee minderjarige kinderen hebben vervolgens, na inschakeling van het Crisis Interventie Team, tijdelijk opvang gekregen in het [naam hotel] ([adres 4]).
2.8.
Op 23 april 2024 heeft verzoekster zich wederom bij Centraal Onthaal Gezinnen gemeld. Het college is opnieuw bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.9.
Het college heeft verzoekster en haar twee minderjarige kinderen van 23 tot 26 april 2024 opgevangen op de locatie [locatie] op het adres [adres 5].
2.10.
In een e-mail van 24 april 2024 van mr. R. Scheltes, de advocaat die verzoekster heeft bijgestaan in het ontruimingskortgeding en in de procedure bij het gerechtshof te Den Haag, is het volgende vermeld:
“Ik heb voor [naam 1] en [verzoekster] contact gehad met een contactpersoon bij de gemeente Rotterdam alvorens ik aan het gerechtshof heb bericht dat de daar lopende procedure tegen de verhuurder kon worden doorgehaald. De contactpersoon van de gemeente heet [naam 3]. Zij vertelde mij dat in verband met de jonge kinderen van [naam 1] en [verzoekster] aan hen door de gemeente andere woonruimten zouden worden gegeven als zij hun huidige woningen moesten ontruimen en dakloos zouden worden. Dat zou dan via Centraal Onthaal lopen, maar er was geen twijfel dat dat niet zou lukken. Omdat in de procedure uiteraard de uitslag onzeker zou zijn, is toen gekozen voor een doorhaling van de procedure met een vaststellingsovereenkomst zodat zij op een redelijke termijn hun woningen zouden moeten verlaten. Nadat dat gebeurd was hebben zij de gemeente ingelicht.”
3. Omdat verzoekster en haar twee minderjarige kinderen niet beschikken over eigen woonruimte en de opvang op de locatie [locatie] per 26 april 2024 zal eindigen, neemt de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aan.
4.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dit oordeel wordt hierna toegelicht. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
4.2.
In beginsel kan verzoekster pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft door problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. [1] De voorzieningenrechter ziet op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ervan moet worden uitgegaan dat verzoekster zich zelfstandig kan handhaven in de samenleving. Verzoekster heeft echter gemotiveerd gesteld dat bij het akkoord gaan met de beëindiging van de huurovereenkomst per 29 februari 2024 een belangrijke rol heeft gespeeld dat [naam 3] van het Wijkteam namens de gemeente heeft gezegd dat de gemeente, in geval van dakloosheid, zou voorzien in andere woonruimte. Ook de advocaat van verzoekster in de huurzaak, mr. Scheltes, lijkt dit zo te hebben opgevat (zie hiervoor in 2.10). Ook heeft mr. Scheltes een direct verband gelegd tussen de uitlatingen van [naam 3] en het bereiken van de minnelijke regeling bij het gerechtshof Den Haag. Het college heeft in zijn reactie op de e-mail van mr. Scheltes betwist dat er een toezegging is gedaan, wat ook is nagevraagd bij [naam 3] zelf. Hoe een en ander precies is verlopen, is echter in deze spoedprocedure niet voldoende duidelijk geworden. Dit kan in de bezwaarprocedure worden opgehelderd. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel dat een voorlopige voorziening nodig is, ook dat aannemelijk is geworden dat verzoekster in Nederland geen andere opvangmogelijkheden heeft en dat de minderjarige kinderen van verzoekster zich in een kwetsbare positie bevinden. De belangen van kinderen dienen voor het college de eerste overweging te zijn. [2] De minderjarige kinderen van verzoekster hebben sinds eind februari 2024 geen vaste woon- of verblijfplaats. Dit levert ook problemen op bij het naar school gaan. Voor de zevenjarige zoon van verzoekster, die tot het vertrek naar Den Haag op het speciaal basisonderwijs zat, is ook in Den Haag een school gevonden, maar inmiddels heeft het gezin Den Haag weer verlaten. Voor de negenjarige dochter van verzoekster is tijdens het verblijf in Den Haag geen school gevonden. Gelet op deze belangen van de minderjarige kinderen van verzoekster, in combinatie met de onduidelijkheid over de uitlatingen van [naam 3], ziet de voorzieningenrechter aanleiding te betalen dat het college verzoekster en haar twee minderjarige kinderen voorlopig (tot een week na de beslissing op het bezwaar) toegang moet verlenen tot de maatschappelijke opvang.

Conclusie en gevolgen

5.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Het college dient verzoekster toegang te verlenen tot de maatschappelijke opvang tot één week nadat een beslissing is genomen op het bezwaarschrift van verzoekster.
5.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt.
5.3.
De voorzieningenrechter veroordeelt het college ook in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster en haar twee minderjarige kinderen toegang tot de maatschappelijke opvang moet worden verleend tot één week nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 51, - vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1651; zie ook de uitspraak van de Raad van 10 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:56.
2.Zie artikel 3, eerste lid, van het IVRK.