Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- [naam], partner van verzoeker;
- mevrouw C.J.H. van Vlimmeren, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op 5 april 2024 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, met het doel een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was aangekondigd voor 9 april 2024, gebaseerd op een vonnis van 23 juni 2017. Verzoeker heeft inkomsten uit een WIA-uitkering en zijn partner heeft looninkomsten, waardoor de lopende huurtermijnen betaald kunnen worden. De huur over februari, maart en april 2024 is reeds voldaan.
De verweerster, Stichting Hef Wonen, is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank beoordeelde dat er sprake is van een bedreigende situatie door de aangekondigde ontruiming. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidde tot de conclusie dat het belang van verzoeker, om in de woning te kunnen blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten, zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis ten uitvoer te leggen.
De rechtbank stelde voorwaarden aan de voorziening, waaronder tijdige betaling van de lopende huurtermijnen gedurende de zes maanden dat de voorziening geldt. Tevens werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen. De voorziening geldt vanaf 5 april 2024 voor zes maanden en verlengt de huurovereenkomst voor die periode.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling.