Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw A. Ramanand, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis op te schorten. De ontruiming was gepland na een vonnis van 20 februari 2024. Verzoekster heeft een Ziektewetuitkering en voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen, waarvan zij de betaling van april 2024 heeft aangetoond.
Verweerster, Stichting Hef Wonen, is opgeroepen maar is niet verschenen noch heeft zij een schriftelijk verweer ingediend. De rechtbank beoordeelde dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het moratorium bedoeld is om schuldenaren een adempauze te geven om een regeling te treffen.
De belangenafweging wees uit dat het belang van verzoekster om met haar kinderen in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De voorziening wordt onder voorwaarde van tijdige betaling van de huurtermijnen toegewezen voor een periode van zes maanden.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid om later een nieuw verzoek in te dienen. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
Uitkomst: Voorlopige voorziening moratorium wordt toegewezen voor zes maanden en ontruiming wordt opgeschort.