Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam01] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlener);
- mevrouw [naam02] , werkzaam bij het wijkteam van de gemeente Rotterdam (hierna: begeleider).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning te schorsen. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond op 8 januari 2024.
Verzoeker ontvangt een AOW-uitkering, aanvullend pensioen en huurtoeslag, en heeft de huurtermijnen van november 2023 tot en met januari 2024 tijdig voldaan. De schuldhulpverlener bevestigt dat budgetbeheer is opgestart en dat de lopende termijnen kunnen worden betaald.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van de verhuurder om het vonnis tot ontruiming uit te voeren. Daarom wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 november 2023 geschorst voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden betaald.
Daarnaast wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid om later een nieuw verzoek in te dienen.
De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 3 januari 2024 en de schuldhulpverlener dient uiterlijk twee weken voor afloop verslag uit te brengen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe en schorst de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende termijnen worden voldaan.