Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- de heer [naam01] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de tenuitvoerlegging van een vonnis tot ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De rechtbank constateert een bedreigende situatie nu de ontruiming op korte termijn gepland stond.
Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering en huurtoeslag, en is aangemeld bij schuldhulpverlening. De lopende termijnen van de huur worden sinds medio 2023 betaald en er wordt budgetbeheer opgestart om betaling te waarborgen. Verweerster, de verhuurder, is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker om in zijn woning te kunnen blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De voorlopige voorziening wordt daarom voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
De voorziening verlengt de huurovereenkomst en schort de ontruiming op, met rapportageverplichting van de schuldhulpverlening twee weken voor afloop.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat lopende termijnen worden voldaan.