Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank moet beoordelen of de Minister aan eiseres terecht een bestuurlijke boete van € 54.000,- heeft opgelegd omdat eiseres heeft nagelaten om te voldoen aan de verplichtingen uit artikel 3.17 van het Arbobesluit en daarmee artikel 16, tiende lid van de Arbowet heeft overtreden.
5. De grond van eiseres, dat de exacte oorzaak en toedracht van het incident niet zijn vastgesteld, slaagt niet. In het boeterapport van 16 oktober 2020 is gedetailleerd en concreet opgeschreven op welke wijze het ongeval heeft plaatsgevonden. De arbeidsinspecteur heeft zich daarbij niet alleen gebaseerd op eigen waarnemingen, maar ook op getuigenverklaringen en een gesprek met vertegenwoordiger van eiseres. Hieruit volgt dat het slachtoffer in opdracht van de leidinggevende een palletstelling demonteerde. Door de keuze te maken allereerst de moeren van de staanders te verwijderen, kwamen de staanders vrijwel los te staan. Het slachtoffer is geraakt door een staander en heeft daardoor letsel opgelopen. Het rapport is op ambtsbelofte opgemaakt, zodat in beginsel van de juistheid van de inhoud daarvan moet worden uitgegaan. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. Dergelijke omstandigheden heeft eiseres niet aangevoerd. De toezichthouders hebben geconcludeerd dat tijdens het demonteren van een palletstelling het gevaar dat een betrokkene zouden worden getroffen door de staanders van de stelling niet was voorkomen. De Minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat artikel 3.17 van het Arbobesluit is overtreden. De stelling van eiseres, dat een gevaar is ontstaan door het hanteren van arbeidsmiddelen (zoals bedoeld in artikelen 7.4 of 7.5 van het Arbobesluit) volgt de rechtbank niet. De palletstelling was in dit geval immers niet het arbeidsmiddel.
6. Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb is een overtreder degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Bij boetes voor rechtspersonen wordt voor de uitleg van het overtredersbegrip aansluiting gezocht bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap.De Hoge Raad heeft in dat verband overwogen dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a. a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
Met inachtneming van het voorgaande heeft de Minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de overtreding kan worden toegerekend aan eiseres. De leidinggevende was op basis van een dienstbetrekking werkzaam voor eiseres en het slachtoffer was als uitzendkracht ook werkzaam ten behoeve van eiseres. Het geven van de desbetreffende werkinstructies paste daarnaast binnen de normale bedrijfsvoering van eiseres en is haar dienstig geweest. Met wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is. Ook indien een leidinggevende in een concreet geval de opdracht geeft om een onveilige werkwijze toe te passen, zijn dit handelingen die moeten worden toegerekend aan de werkgever. De Minister mocht zich verder op het standpunt stellen dat eiseres het gevaar kon voorkomen (met bijvoorbeeld het borgen van staanders) en dit niet heeft gedaan. Eiseres is daarmee aan te merken als overtreder.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is artikel 3.17 van het Arbobesluit door eiseres niet nageleefd. De Minister was dus bevoegd om op grond van artikel 16, tiende lid en 34, eerste lid van de Arbowet een boete op te leggen. Bij het toepassen van deze bevoegdheid moet de Minister de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet de Minister rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De Minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid toepassen over het wel of niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook als de rechter het beleid niet onredelijk heeft bevonden, moet de Minister bij de toepassing daarvan in een individueel geval beoordelen of die toepassing in overeenstemming is met de hiervoor bedoelde wettelijke eisen aan de uitoefening van die boetebevoegdheid. Steeds moet de boete, zo nodig in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zo worden vastgesteld dat deze evenredig is. De rechtbank beoordeelt het besluit van de Minister zonder terughoudendheid.
8. De rechtbank stelt vast dat de Minister ter uitoefening van zijn boetebevoegdheid het beleid als bedoeld in de Beleidsregelheeft vastgesteld. Een overtreding van artikel 3.17 leidt op basis van de bijlage bij deze beleidsregels tot een boete van € 9.000,-. In artikel 1, tiende lid, b onder 3° is verder bepaald dat dit boetebedrag bij een arbeidsongeval met licht blijvend letsel wordt verdrievoudigd. De rechtbank acht dit beleid op zichzelf niet onredelijk of anderszins onjuist, gelet op de mogelijke gevaarzetting waarbij mogelijk ernstige en persoonlijke gevolgen kunnen ontstaan voor werknemers. De Minister heeft het boetenormbedrag van € 9.000,- met drie vermenigvuldigd omdat sprake is van licht blijvend letsel. Dit is dus overeenkomstig het beleid.
9. De Minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van recidive nu sprake is van eenzelfde overtreding in wettelijke zin en de vestigingen in Oosterhout en in de Botlek geen zelfstandig opererende nevenvestigingen zijn. Van een zelfstandig opererende nevenvestiging is alleen sprake als binnen deze nevenvestiging structureel is voorzien in leiding en gezag. Er dient sprake te zijn van een eigen bevoegdheid tot het aansturen van personeel voor die vestiging en/of het uitvoeren van personeelsbeleid. Er is in dit geval echter een overkoepelend veiligheidsbeleid. Daarnaast wordt het personeelsbeleid centraal vastgesteld. Dat in het besluit van 22 februari 2023 (over de waarschuwing preventieve stillegging) is bepaald dat geen sprake is van recidive doet daaraan niet af. Dat besluit is genomen op basis van andere regelgeving (de Beleidsregel preventieve stillegging arbeidswetten) met een ander beoordelingskader voor recidive.
10. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van eiseres. De Minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het afbreken van palletstellingen in strijd met de werkinstructies was. Sprake is van een ongeval dat heeft plaatsgevonden door een werkwijze die is verricht met instemming van de leidinggevende. De in beroep door eiseres ingediende werkinstructies voor soortgelijke werkzaamheden maken niet dat eiseres in deze omstandigheden verminderd verwijtbaar is. Dat zowel de leidinggevende als de werknemer na het ongeval hebben verklaard dat een soortgelijk ongeval kan worden voorkomen door de werkzaamheden uit te besteden, kan evenmin leiden tot een ander oordeel. De gehanteerde werkwijze blijft hiermee nog steeds onveilig.
11. De rechtbank is verder niet gebleken dat de aan eiseres opgelegde boete onevenredig nadelig uitpakt voor eiseres.
12. De rechtbank ziet wel aanleiding om de boete te matigen vanwege de tijd die is verstreken tussen de dagtekening van het boeterapport en het opleggen van de bestuurlijke boete. Op grond van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan binnen dertien weken na die dagtekening een bestuurlijke boete opleggen. Een overschrijding daarvan kan leiden tot matiging.In dit geval is het boeterapport opgemaakt op 16 oktober 2020 en heeft de Minister pas op 20 augustus 2022 het boetebesluit genomen. Gelet hierop is een matiging van de boete met 5% aangewezen.