De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind, dat sinds mei 2021 in een pleeggezin verblijft. De moeder kon onvoldoende zorg en stabiliteit bieden, ondanks ondersteuning en ambulante hulp. De moeder is onregelmatig bereikbaar en komt afspraken niet na, wat de opvoeding bemoeilijkt.
De moeder betwistte het verzoek en vreesde verlies van contact en invloed, maar erkende dat haar kind bij de pleegmoeder zal opgroeien. De pleegmoeder en de gecertificeerde instelling onderschreven het verzoek vanwege het belang van stabiliteit en continuïteit voor het kind. De rechtbank oordeelde dat het gezag van de moeder beëindigd moet worden omdat zij niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging kan dragen en het belang van het kind bij een stabiele opvoedsituatie prevaleert.
De gecertificeerde instelling wordt benoemd tot voogd om de belangen van het kind en het contact met de moeder te waarborgen. De moeder blijft de juridische moeder en het contact wordt gestimuleerd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de moeder wordt veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het vermogen van het kind.