De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om voorlopige ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing en voorlopige voogdij over een minderjarige geboren in 2006, vanwege de ernstige medische situatie van de moeder die lijdt aan een ongeneeslijke hersentumor en daardoor wilsonbekwaam is.
De moeder is niet in staat om voor haar dochter te zorgen of beslissingen te nemen, terwijl de minderjarige zelf een verstandelijke beperking en autisme heeft en niet zelfstandig kan functioneren. De minderjarige verblijft momenteel bij een jeugdhulpaanbieder, Pameijer, waar zij het naar haar zin heeft.
De moeder heeft zich niet laten horen tijdens de zitting, maar haar advocaat heeft verweer gevoerd tegen de voogdijmaatregel, stellende dat de moeder nog in staat is gezag uit te oefenen en dat de maatregel prematuur is gezien de naderende meerderjarigheid van het kind.
De rechtbank oordeelt dat de medische rapporten betrouwbaar zijn en dat de moeder niet in staat is het gezag uit te oefenen. Gezien de kwetsbaarheid van het kind en het belang van continuïteit in zorg, wordt de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd tot aan de meerderjarigheid van de minderjarige. De overige verzoeken worden afgewezen.