ECLI:NL:RBROT:2024:5207
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met broer
Verzoeker, een alleenstaande man die sinds 2018 in Nederland woont, heeft een bijstandsuitkering aangevraagd op grond van de Participatiewet. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoeker volgens hen een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer, met wie hij een adres deelt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat verzoeker geen inkomsten heeft om in zijn noodzakelijke kosten te voorzien. De inhoudelijke beoordeling richt zich op de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding, waarbij wederzijdse zorg en het delen van kosten centraal staan.
Uit de door verzoeker ondertekende vragenlijst blijkt dat hij en zijn broer samen boodschappen doen, eten, wassen en gebruik maken van duurzame goederen. Ook delen zij de kosten van de woning indien beiden inkomsten hebben. Het verblijf van de broer in het buitenland gedurende enkele maanden leidt niet tot verplaatsing van zijn hoofdverblijf. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en bevestigt dat verweerder terecht de bijstandsuitkering heeft geweigerd op grond van gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen verzoeker en zijn broer.