ECLI:NL:RBROT:2024:556

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 januari 2024
Publicatiedatum
30 januari 2024
Zaaknummer
FT EA 23-1103
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Artikel 2 Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing wettelijke schuldsaneringsregeling met afwijzing eerdere ingangsdatum

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens haar onvermogen om haar schulden te voldoen. De rechtbank heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat verzoekster daadwerkelijk niet meer kan betalen of dit redelijkerwijs niet kan voortzetten.

Hoewel verzoekster een eerdere ingangsdatum van de regeling heeft verzocht op basis van gespaarde bedragen tijdens schuldhulpverlening, kon de rechtbank niet vaststellen dat zij aan haar aflossingsverplichtingen heeft voldaan. De aangeleverde stukken gaven onvoldoende inzicht in de periode en hoogte van de aflossingen.

Daarnaast bleek dat sinds augustus 2023 beslag ligt op haar uitkering, waardoor zij maandelijks een bedrag afdraagt aan de deurwaarder en niet aan schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot een eerdere ingangsdatum afgewezen en de ingangsdatum vastgesteld op 26 januari 2024.

De rechtbank stelde de looptijd van de regeling vast op 18 maanden en benoemde een rechter-commissaris. Tevens werd een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder toegekend en de bewindvoerder gemachtigd tot het openen van aan schuldenaren gerichte post.

De uitspraak is openbaar en tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank wijst de schuldsaneringsregeling toe met ingang van 26 januari 2024 en stelt de looptijd op 18 maanden, terwijl het verzoek tot een eerdere ingangsdatum wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer01]
uitspraakdatum: 26 januari 2024
[verzoekster01],
[adres01] ,
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van
19 januari 2024.
Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- [verzoekster01] , verzoekster;
- [naam01] , schuldhulpverlener;
- W.I. Kroep, beschermingsbewindvoerder.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Toelating tot de schuldsaneringsregeling
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoekster verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. Verzoekster zal daarom worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Ten aanzien van de ingangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling overweegt de rechtbank als volgt. Door verzoekster is verzocht om een eerdere ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daartoe is ter zitting aangevoerd dat verzoekster tijdens schuldhulpverlening met behulp van budgetbeheer heeft gespaard ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en dat dit bedrag (€ 2.128,81) kan worden geduid als 36 maanden maal € 55 .
In het kader van een verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum dient de rechtbank te beoordelen of verzoekster, naast de overige verplichtingen, de verplichting om inkomsten boven het vrij te laten bedrag af te dragen naar behoren heeft nageleefd. De rechtbank heeft ter zitting verzocht om stukken die de opbouw van het spaarsaldo van verzoekster, en daarmee het verzoek om een eerdere ingangsdatum, onderbouwen. Deze stukken zijn op 22 januari 2024 ontvangen. De rechtbank heeft de stukken bekeken en stelt vast dat verzoekster met behulp van budgetbeheer tot 7 juli 2022 inderdaad een totaalbedrag van € 2.128,81 heeft gespaard. Echter, is het niet duidelijk hoeveel en welke maanden verzoekster heeft afgelost om tot dit bedrag te komen en hoelang deze periode heeft geduurd. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat verzoekster gedurende het buitengerechtelijke schuldhulpverleningstraject heeft voldaan aan haar (maandelijkse) afdrachtsverplichting. Verder kan de rechtbank niet vaststellen dat verzoekster gedurende de periode dat zij onder beschermingsbewind staat, vanaf 8 juni 2022, al haar inkomsten boven haar vrij te laten inkomen heeft afgelost of gespaard. Tenslotte ligt er sinds augustus 2023 beslag op de PW-uitkering van verzoekster waardoor zij sindsdien een bedrag van € 60,83 per maand aan de deurwaarder afdraagt en dus niet aflost aan of spaart voor de gezamenlijke schuldeisers. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af en stelt de ingangsdatum van de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling vast op 26 januari 2024.
Bevoegdheid rechtbank
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.

3.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt per de datum van dit vonnis de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster01],
geboren op [geboortedatum01] -1961 te [geboorteplaats01] ,
wonende te [adres01] , [postcode01] [woonplaats01] ;
voorheen handelend onder de naam van [handelsnaam01] ,
gevestigd [vestigingsadres01] , [postcode02] [vestigingsplaats01] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden, te rekenen vanaf
26 januari 2024, waardoor deze termijn eindigt op 26 juli 2025;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder L. Hordijk,
gevestigd te Postbus 68,
2650 AB Berkel en Rodenrijs;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2024. [1]