Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn woning zou moeten voorkomen. Verzoeker zit sinds oktober 2023 in detentie tot 4 augustus 2024 en heeft een aanzienlijke huurachterstand van tien maanden. De beschermingsbewindvoerder en de vader van verzoeker hebben financiële bijdragen toegezegd, maar de huur over juni 2024 is niet voldaan.
Verweerster, de verhuurder, heeft een groot belang bij de uitvoering van het ontruimingsvonnis van 19 april 2024, mede vanwege de ernstige overlast die verzoeker heeft veroorzaakt in en rond de woning. De rechtbank constateert dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming, maar dat het belang van verweerster zwaarder weegt dan dat van verzoeker.
De rechtbank overweegt dat het moratorium bedoeld is om schuldenaren een adempauze te geven om schuldregelingen te treffen, maar dat in dit geval onvoldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Daarnaast speelt de strafrechtelijke detentie en de ernstige overlast een rol. Daarom wordt het verzoek afgewezen en wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.