ECLI:NL:RBROT:2024:6688

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 maart 2024
Publicatiedatum
18 juli 2024
Zaaknummer
ROT 23/6255
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kinderopvangtoeslag

Eiser heeft zich in januari 2021 gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 tot en met 2016. Verweerder heeft het bezwaar niet tijdig behandeld, ondanks een dwangsombeslissing van oktober 2023. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder nog geen beslissing heeft genomen.

Tijdens de zitting op 8 februari 2024 gaf verweerder een toelichting over de gewijzigde bezwaarprocedure waarbij eiser koos voor behandeling met de bezwaaradviescommissie. De rechtbank verwijst naar de bijzondere omstandigheden van de hersteloperatie toeslagen en de toepasselijkheid van artikel 8:55d Awb, waardoor een beslistermijn van zes weken wordt vastgesteld.

De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het vonnis een beslissing moet nemen en legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank beveelt verweerder binnen zes weken een beslissing op bezwaar te nemen en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/6255

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2024 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Azdoufali en mr. M. Hatie).

Procesverloop

1.1.
Eiser heeft bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van
17 februari 2023 met kenmerk [naam kenmerk] .
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser heeft zich op 11 januari 2021 bij verweerder gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2013 tot en met 2016.
2. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat verweerder alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond. Ter zitting is door verweerder een toelichting gegeven op de stand van zaken in de bezwaarprocedure. De regeling in bezwaar is gewijzigd. Het is mogelijk om te kiezen om het bezwaar te laten afhandelen door verweerder zonder dat de bezwaaradviescommissie wordt ingeschakeld. Eiser heeft gekozen om wel de bezwaaradviescommissie in te schakelen. Het dossier van eiser is samengesteld en de beschouwing van de medewerker van verweerder ligt bij eiser en de bezwaaradviescommissie.
3. Verweerder heeft op 24 oktober 2023 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4. Gelet op de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
5. 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209). Verweerder moet in beginsel binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een beslissing op bezwaar bekendmaken.
6. De beslistermijn is ten minste zes weken na de datum van deze uitspraak. Omdat sinds de datum van het verweerschrift meer dan zes weken zijn verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar moet bekendmaken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze
uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op het bezwaar van eiser;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.H.I. Zwaneveld-Butter, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
21 maart 2024.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.