Eiser is in dienst getreden bij gedaagde als natuursteenbewerker en heeft op 14 november 2017 een arbeidsongeval gehad waarbij een stenen keukenblad op zijn onderbeen viel, resulterend in ernstige fracturen. De aansprakelijkheid van gedaagde is reeds vastgesteld in eerdere vonnissen, waarbij ook immateriële schadevergoeding is toegekend.
Eiser vordert in kort geding een voorschot van € 50.000,- op de materiële schade die hij stelt te hebben geleden, waaronder kosten huishoudelijke hulp, mantelzorg, verlies arbeidsvermogen en fysiotherapie. Gedaagde betwist zowel het causaal verband als de omvang van de schadeposten en wijst op ontbrekende bewijsstukken en speculatieve berekeningen.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering zich niet leent voor kort geding vanwege de noodzaak van nader bewijs en de uiteenlopende standpunten. Ook is het spoedeisend belang onvoldoende aangetoond. Daarnaast wijst de rechtbank de vordering tot opheffing van het conservatoir eigenbeslag van eiser af, omdat het beslag niet onnodig of ondeugdelijk is en eiser belang heeft bij het veiligstellen van zijn verhaalsmogelijkheden.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door mr. J.J. Willemsen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2024.