In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Rotterdam het beroep van eiser tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om een medisch onderzoek op te leggen en zijn rijbewijs te schorsen. Dit besluit volgde op een mededeling van de politie na een verkeersongeval waarbij eiser betrokken was en waarbij vermoedens bestonden over zijn rijgeschiktheid vanwege gezondheidsproblemen.
De politie meldde dat eiser bekend is met hartfalen en na het ongeval meerdere keren bewusteloos is geraakt. Het CBR baseerde daarop het besluit tot onderzoek en schorsing. Eiser voerde aan dat het bewustzijnsverlies na het ongeval verklaard kon worden door de klap en shock, dat hij herstellende is van psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA) en niet lijdt aan hartfalen. Ook stelde hij dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en onevenredig was vanwege de gevolgen voor zijn werk en financiën.
De rechtbank oordeelt dat het CBR terecht een vermoeden van rijongeschiktheid kon hebben op grond van de politiegegevens en het medische verleden van eiser. Het opleggen van het medisch onderzoek en de schorsing van het rijbewijs zijn wettelijk verplicht en proportioneel, waarbij de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.