ECLI:NL:RVS:2022:415
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
CBR mocht onderzoek rijgeschiktheid opleggen en rijbewijs schorsen bij vermoeden rijden onder invloed amfetamine
Op 5 augustus 2019 werd de wederpartij aangehouden op verdenking van rijden onder invloed van amfetamine, met een bloedwaarde van 1000 microgram per liter. Het CBR legde hem daarop een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op en schorste zijn rijbewijs. De rechtbank verklaarde dit besluit onrechtmatig omdat uit een herkeuring bleek dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor drugsmisbruik ten tijde van de aanhouding.
Het CBR stelde in hoger beroep dat het slechts om het vermoeden van ongeschiktheid gaat om een onderzoek op te leggen, niet om een definitieve diagnose. De Raad van State oordeelde dat het vermoeden van ongeschiktheid voldoende is voor het opleggen van het onderzoek en de schorsing, en dat de latere herkeuring geen rol speelt bij deze beoordeling.
De Raad van State benadrukte dat het CBR op basis van het op ambtsbelofte opgestelde proces-verbaal en de bloedwaarden terecht een vermoeden van ongeschiktheid had. De persoonlijke omstandigheden van de wederpartij, zoals medicatiegebruik en gedragskenmerken, zijn onvoldoende om het vermoeden te weerleggen. De toepasselijke regelgeving laat geen ruimte voor belangenafweging in dit kader.
Daarom vernietigde de Raad van State het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de wederpartij ongegrond, waarmee het besluit van het CBR tot oplegging van het onderzoek en schorsing van het rijbewijs in stand blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep van het CBR wordt gegrond verklaard en het beroep van de wederpartij ongegrond, waardoor het onderzoek en de schorsing van het rijbewijs rechtmatig zijn.