Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 april 2024, met bijlagen;
- het antwoord;
- de repliek, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een vordering van Stichting Hef Wonen tegen een huurder wegens een huurachterstand van € 1.026,37 tot en met juni 2024. De huurder erkent een achterstand, maar betwist deels het bedrag en wijst op een betaling van € 540,33 in mei 2024. De rechtbank gaat uit van het betaaloverzicht van Hef Wonen en veroordeelt de huurder tot betaling van de volledige achterstand met wettelijke rente.
De huurder stelde dat zijn bewindvoerder de huur ten onrechte niet betaalde, maar de rechtbank oordeelt dat dit zijn betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst niet opheft. Daarnaast beoordeelt de rechtbank ambtshalve de algemene voorwaarden van Hef Wonen en constateert dat de bepaling over buitengerechtelijke incassokosten oneerlijk is omdat deze afwijkt van de wettelijke regeling en de huurder ongunstig behandelt.
Daarom wijst de rechtbank de vordering tot incassokosten af. De wettelijke rente wordt toegewezen conform artikel 6:119 BW Pro. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van € 1.242,55 inclusief rente en tot betaling van proceskosten van € 849,67. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De huurder wordt geadviseerd contact op te nemen voor een betalingsregeling.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand met wettelijke rente, incassokosten worden afgewezen wegens oneerlijke bepaling.