Eiseres ontving bijstand en werd geconfronteerd met een terugvordering over de periode december 2019 tot september 2020, inclusief brutering van loonbelasting en premies volksverzekeringen. Verweerder stelde dat eiseres haar inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat derden stortingen deden die als inkomen moesten worden aangemerkt. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat de brutering onjuist was berekend, met name dat de loonheffingskorting tijdsevenredig had moeten worden toegepast.
De rechtbank stelde vast dat enkele stortingen niet als inkomen mochten worden aangemerkt, waardoor het beroep deels gegrond werd verklaard en de terugvordering dienovereenkomstig moest worden verlaagd. De overige stortingen werden terecht als inkomen beschouwd, en eiseres had haar inlichtingenplicht geschonden. De berekening van de brutering door verweerder werd door een deskundige bevestigd als correct toegepast volgens de Rekenregels van de Belastingdienst, waarbij de loonheffingskorting niet tijdsevenredig hoefde te worden toegepast omdat er geen sprake was van gebroken kalendermaanden.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure met 19 maanden was overschreden, waardoor eiseres recht had op een immateriële schadevergoeding van € 2.000,-. De rechtbank veroordeelde verweerder tot het nemen van een nieuw besluit binnen zes weken, tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, en veroordeelde de Staat tot betaling van de schadevergoeding en bijkomende proceskosten.