Eiseres ontving van het UWV voorschotten op een WIA-uitkering, die later werden ingetrokken omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt bleek te zijn. Tegelijkertijd kreeg zij een WW-uitkering over dezelfde periode, zonder dat het UWV de WIA-voorschotten hiermee verrekende. Het UWV vorderde vervolgens de te veel betaalde WIA-voorschotten terug via besluiten van september en december 2023.
Eiseres stelde dat het UWV onterecht terugvorderde, omdat haar telefonisch was toegezegd dat zij de voorschotten niet hoefde terug te betalen. Ook voerde zij aan dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden, omdat zij de bedragen niet kon terugbetalen en het UWV de vordering niet met de WW-uitkering had verrekend. De rechtbank stelde vast dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden, omdat in de besluiten duidelijk was vermeld dat terugvordering mogelijk was en eiseres hierover expliciet was geïnformeerd.
De rechtbank oordeelde voorts dat er geen dringende of bijzondere redenen waren om af te zien van terugvordering en dat de enkele omstandigheid dat de WW-uitkering niet werd verrekend, geen bijzondere situatie vormde. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde, mede omdat eiseres geen bewijs leverde van betalingsonmacht en het UWV een betalingsregeling had aangeboden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.