Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de intrekking van de bijstandsuitkering van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiseres ontving met ingang van 30 juli 2020 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van een melding van het inlichtingenbureau dat sprake is van een toename van banksaldo in 2021 heeft eiseres op verzoek van verweerder bankafschriften overgelegd. Vervolgens is verweerder een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte uitkering. De resultaten van dit onderzoek staan in een rapport van 21 december 2022.
6. Bij besluit van 19 januari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken met ingang van 1 december 2022. Hieraan ligt ten grondslag dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] ( [naam] ), de vader van de kinderen van eiseres. Bij besluit van 10 januari 2024 (het bestreden besluit) is verweerder bij dit besluit gebleven.
Was sprake van een gezamenlijke huishouding?
7. Eiseres betoogt dat verweerder haar bijstandsuitkering ten onrechte heeft ingetrokken, omdat zij geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam] . Het onderzoek van verweerder biedt hiertoe onvoldoende grondslag. Zij wijst erop dat sprake was van een turbulente relatie met [naam] . Zij wijst er verder op dat de uitkering is ingetrokken met ingang van 1 december 2022, maar de waarnemingen zijn verricht in de periode van 3 oktober 2022 tot en met 21 november 2022 en de formulieren van school van veel eerder dateren. Hier kan daarom niet de waarde aan worden gehecht die verweerder hieraan hecht. Eiseres stelt verder dat ook de pintransacties niet van doorslaggevende betekenis kunnen zijn. Zij wijst er voorts op dat tijdens het huisbezoek geen spullen van [naam] in de woning zijn aangetroffen en er geen conclusies zijn te trekken uit het verbruik van gas, water en licht.
8. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking, in dit geval of sprake is van een gezamenlijke huishouding, is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
9. Vaststaat dat uit de relatie tussen eiseres en [naam] kinderen zijn geboren. Gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet (Pw) is voor de beantwoording van de vraag of zij een gezamenlijke huishouding voerden daarom bepalend of zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
10. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Als aannemelijk is dat eiseres en [naam] hun hoofdverblijf op het adres van eiseres (het uitkeringsadres) in [plaatsnaam 1] hadden, maakt het niet uit dat zij ingeschreven stonden op verschillende adressen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1776. 11. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksresultaten een toereikende grondslag voor het standpunt van verweerder dat [naam] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Daarbij is het volgende van belang.
12. Verweerder heeft zijn conclusie met betrekking tot het hoofdverblijf van [naam] gebaseerd op onder meer waarnemingen die in de periode van 3 oktober 2022 tot en met 21 november 2022 bij het uitkeringsadres zijn gedaan. Uit het waarnemingenjournaal blijkt dat bij alle 43 waarnemingen, die zijn gedaan op alle delen van de dag, de auto’s van [naam] in de buurt van het uitkeringsadres zijn aangetroffen. Verder is [naam] waargenomen als hij vermoedelijk naar zijn werk vertrekt en daarvan weer terugkeert. Verder is waargenomen dat [naam] de kinderen naar school brengt. Dit strookt in zoverre met de door zowel eiseres als [naam] in het kader van het onderzoek afgelegde verklaringen. Eiseres heeft verklaard dat [naam] iedere week met wisselende frequentie bij haar thuis is, soms blijft slapen en soms de kinderen naar school brengt. [naam] heeft verklaard dat hij en eiseres een relatie hebben, dat eiseres in verwachting is, dat hij haar helpt, in de avonden bij haar thuis aanwezig is, ’s nachts blijft en de kinderen naar school brengt.
13. Daarnaast komt ondersteunende betekenis toe aan het feit dat uit de inschrijfgegevens bij de school van de kinderen van eiseres en [naam] blijkt dat geen sprake is van een één-ouder gezin, nu eiseres en [naam] op twee formulieren hebben aangegeven dat het uitkeringsadres het woonadres is. Verder heeft verweerder ook betekenis mogen toekennen aan het feit dat uit onderzoek naar de pintransacties blijkt dat er geen pintransacties van [naam] kunnen worden gekoppeld aan een verblijf op zijn eigen woonadres in [plaatsnaam 2] , waar (ook) de neef van [naam] zou wonen, dat hij geen parkeervergunning heeft in de nabijheid van zijn eigen woning in [plaatsnaam 2] en er ook nauwelijks parkeeracties in de buurt van zijn eigen woning in [plaatsnaam 2] zijn gebleken.
14. Gelet op de hiervoor beschreven onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, die eiseres door haar afwezigheid ter zitting niet heeft kunnen weerspreken, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat [naam] zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, zodat sprake was van een gezamenlijke huishouding met eiseres. De periode van onderzoek is ook kort voorafgaand aan het primaire besluit, zodat verweerder zich hierop heeft mogen baseren. Overigens heeft eiseres ook niet gesteld of is niet gebleken dat haar situatie nadien is gewijzigd. Door geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat er geen conclusie is te trekken uit de waterstanden en er geen goederen van [naam] zijn aangetroffen op het uitkeringsadres leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit doet niet af aan de hiervoor gebleken bevindingen.
15. Schending van de inlichtingenplicht levert een grond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
16. Omdat eiseres heeft verzuimd om verweerder op de hoogte te stellen van het feit dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] ligt het op haar weg aan te tonen dat, indien zij wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, het recht op bijstand alsnog door verweerder is vast te stellen. Verweerder heeft eiseres en [naam] in de gelegenheid gesteld openheid van zaken te geven om zo het recht op bijstand alsnog te kunnen vaststellen, maar eiseres en [naam] hebben dit niet gedaan. Verweerder heeft de uitkering daarom terecht ingetrokken met ingang van 1 december 2022.