Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij samen met appellant een gezamenlijke huishouding voerde op het uitkeringsadres. Dit werd ondersteund door getuigenverklaringen en administratieve gegevens, ondanks dat appellant op verschillende adressen stond ingeschreven. Door het niet melden van deze gezamenlijke huishouding schond appellante haar inlichtingenplicht, waardoor het college de bijstand introk en de kosten terugvorderde.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellanten in hoger beroep gingen. De Raad oordeelde dat het college voldoende bewijs had geleverd dat appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, waardoor sprake was van gezamenlijke huishouding. De beroepsgronden van appellanten tegen de motivering, zorgvuldigheid, rechtszekerheid en evenredigheid faalden. Ook de medeterugvordering aan appellant werd bevestigd.
De Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursfase van ruim drie maanden, waarvoor het college een immateriële schadevergoeding van €500 aan elk van appellanten moet betalen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.