Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot opheffing van zijn faillissement en gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. De curator adviseerde negatief vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht, onregelmatige salarisbetalingen en het ontbreken van afdracht aan de boedel. Verzoeker is sinds 2021 in dienst van zijn eigen BV, maar werkt minder uren dan afgesproken en ontvangt onregelmatig salaris.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek omdat het niet aan hem toe te rekenen is dat het verzoek niet tijdig is ingediend. Echter, de goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden wordt betwijfeld, mede door het ontbreken van belastingaangiften en onvoldoende administratie. Verzoeker heeft verklaard dat zijn boekhouder de aangiften heeft gedaan, maar bewijs hiervoor is onvolledig.
Verder is onvoldoende aannemelijk dat verzoeker zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen. Hij ontvangt geen inkomen afdracht aan de boedel, benut zijn verdiencapaciteit niet volledig en houdt een constructie aan waarbij zijn BV minder loon uitbetaalt dan afgesproken. De rechtbank concludeert dat er gegronde vrees bestaat dat verzoeker de verplichtingen niet naar behoren zal nakomen en wijst het verzoek af.