De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland-Zuid verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot haar meerderjarigheid. De minderjarige was eerder onder toezicht gesteld vanwege zelfbepalend gedrag en schoolverzuim, waarbij de moeder onvoldoende gezag kon uitoefenen.
Tijdens de mondelinge behandeling gaf de GI aan dat de moeder zich inzet en de communicatie tussen moeder en minderjarige goed verloopt. De moeder en minderjarige stonden positief tegenover verdere hulpverlening via Youz. De kinderrechter voerde een gesprek met de minderjarige, die duidelijke toekomstplannen uitte en medewerking aan hulpverlening toezegde.
De kinderrechter oordeelde dat niet langer voldaan is aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling uit artikel 1:255 BWPro. De minderjarige vertoont positieve gedragsveranderingen, is niet meer nachtenlang weg, luistert beter en gaat weer naar school. De moeder kan zelfstandig hulp inschakelen indien nodig.
De kinderrechter concludeerde dat de ontwikkeling van de minderjarige niet langer wordt bedreigd en dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling daarom wordt afgewezen. De moeder wenste nog wel betrokkenheid van de GI als stok achter de deur, maar dit is geen grond voor verlenging.
Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag.
Uitkomst: Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens positieve ontwikkeling en afwezigheid van bedreiging van de ontwikkeling.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/682129 / JE RK 24-1439
Datum uitspraak: 18 juli 2024
Beschikking
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland-Zuid,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] .
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 4 juli 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juli 2024. Daarbij waren aanwezig:
[voornaam minderjarige] ;
de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, mw. [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 augustus 2023 [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 1 augustus 2024.
3.Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen tot aan haar meerderjarigheid, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4.De standpunten
4.1.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De GI ziet dat de moeder zich echt inzet voor [voornaam minderjarige] en dat de moeder en [voornaam minderjarige] goed met elkaar communiceren. De ondertoezichtstelling is daarom ook enkel nog als stok achter de deur, voor als het toch onverhoopt misgaat. Daarnaast zijn er nog een aantal onderzoeken vanuit Youz die gaan plaatsvinden, waarbij het wenselijk is dat de GI die nog volgt.
4.2.
De moeder heeft ter zitting ingestemd met het verzoek. De moeder vindt het een prettig idee dat de GI op de achtergrond nog beschikbaar is, voor het geval [voornaam minderjarige] nog een misstap maakt. Voordat [voornaam minderjarige] onder toezicht stond, heeft de moeder regelmatig contact gehad met het sociaal team en het CIT, maar die konden niet snel handelen. Het is prettig dat de hulp van Youz na zeven maanden eindelijk kan starten. Zowel de moeder als [voornaam minderjarige] staan hier volledig voor open en zullen hier aan meewerken.
5.De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat niet langer is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
[voornaam minderjarige] is vorig jaar onder toezicht gesteld vanwege zelfbepalend gedrag en schoolverzuim. Het lukte de moeder onvoldoende om [voornaam minderjarige] te begrenzen en haar gezag te laten gelden. Het afgelopen jaar hebben [voornaam minderjarige] en de moeder een positieve ontwikkeling doorgemaakt. [voornaam minderjarige] is niet meer nachtenlang weg, luistert beter naar haar moeder en heeft haar schoolgang weer opgepakt. In het gesprek met de kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] duidelijke toekomstplannen kenbaar gemaakt. Ook heeft zij aangegeven haar volledige medewerking te zullen verlenen aan het traject van Youz. Zij wil dit zelf en ook de moeder staat hiervoor open. De kinderrechter constateert dat [voornaam minderjarige] niet langer in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Tevens is de moeder zelfstandig in staat om de noodzakelijke hulpverlening in te schakelen wanneer dat nodig is. Dat de moeder zelf nog graag de betrokkenheid van de GI wenst als stok achter de deur, is op zichzelf staand geen grond voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. Gelet op het voorgaande wijst de kinderrechter het verzoek van de GI dan ook af.
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2024 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 2 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.