ECLI:NL:RBROT:2024:8560

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 juli 2024
Publicatiedatum
5 september 2024
Zaaknummer
C/10/681716 / JE RK 24-1341
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens voldoende zelfredzaamheid moeder

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting verzocht de rechtbank om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen vanwege zorgen over de opvoeding en het welzijn van de kinderen. De moeder woont met de kinderen en heeft eerder negatieve ervaringen gehad met een andere GI, wat de communicatie bemoeilijkte. De moeder heeft echter zelfstandig belangrijke hulp geregeld, waaronder dagbesteding voor het jongste kind en ondersteuning voor het oudste kind.

Tijdens de zitting was de moeder telefonisch aanwezig, terwijl de vader niet verscheen. De kinderrechter concludeerde dat hoewel er nog zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen, de moeder momenteel in staat is om de noodzakelijke hulp te organiseren. De betrokkenheid van de GI werd als eerder belemmerend dan helpend ervaren.

De rechtbank oordeelde dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer zijn voldaan. Wel benadrukte de rechter het belang dat de moeder tijdig hulp vraagt indien nodig en dat er een afsluitend gesprek tussen de GI en de moeder moet plaatsvinden. Het verzoek tot verlenging werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/681716 / JE RK 24-1341
Datum uitspraak: 18 juli 2024
Beschikking
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S.O. Zengin te Den Haag,
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] Gld.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 juni 2024;
- de e-mail van de moeder met bijlagen van 17 juli 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juli 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, mw. [persoon A] en mw. [persoon B] .
1.3.
De moeder heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting.
1.4.
Opgeroepen en niet verschenen is de vader. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 augustus 2023 [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 1 augustus 2024.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 februari 2024 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] verlengd tot 1 augustus 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Door de slechte ervaring van de moeder met de vorige GI (Jb west), vindt de moeder het erg lastig om openheid van zaken te geven. De moeder is goed bereikbaar, maar geeft niet altijd antwoord op vragen en deelt niet alle informatie. De moeder lijkt zich gecontroleerd te voelen. De moeder heeft een WLZ-indicatie aangevraagd en is tevens een juridische procedure tegen de vader gestart over de omgang, maar heeft de GI daar niet van de op hoogte gesteld.
Het is daarom voor de GI lastig om goed te achterhalen wat er speelt en loopt en om zo de juiste ondersteuning te bieden. [voornaam minderjarige 2] is aangemeld bij het KDC van ASVZ. Hij kan na de zomervakantie starten. Daarmee is zijn dagbesteding geregeld. [voornaam minderjarige 1] krijgt hulp en ondersteuning vanuit haar school, ze gaat naar de BSO-plus. De pedagogische gezinsbehandeling van ASVZ is recent stopgezet, omdat de motivatie bij de moeder ontbreekt en zij geen verdere hulpvragen heeft. Vanuit de WLZ moet er nog een aantal zaken geregeld worden, maar dat komt niet van de grond omdat moeder de informatie niet met de GI deelt. De GI wenst een verlenging van de ondertoezichtstelling om te monitoren of het KDC voor [voornaam minderjarige 2] de noodzakelijke rust gaat brengen en omdat er gelet op het wantrouwen van de moeder, zorgen zijn over de vraag of de moeder in staat is om de juiste hulp in te schakelen en te behouden.
4.2.
Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder heeft de hulp van de GI niet nodig. Zij heeft alle noodzakelijke hulpverlening zelf geregeld. Zij staat daar ook voor open. De moeder heeft een contactpersoon bij de gemeente die helpend is voor haar en bij wie zij aan de bel kan trekken. De moeder heeft de betrokkenheid van de GI juist als belemmerend en stressvol ervaren. De moeder erkent de zorgen en is daar zelf mee aan de slag gegaan. De moeder heeft zelfstandig het KDC voor [voornaam minderjarige 2] geregeld en [voornaam minderjarige 1] aangemeld bij de diëtiste. De moeder wil graag laten zien dat zij het zelf verder kan. Namens de moeder is verzocht het verzoek van de GI af te wijzen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat niet langer is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat, hoewel [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] nog wel ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, de moeder op dit moment zelfstandig in staat is om de noodzakelijke hulpverlening te regelen. De zorgen over met name [voornaam minderjarige 2] zijn groot. [voornaam minderjarige 2] heeft een meer dan gemiddelde opvoedvraag. De opvoeding van [voornaam minderjarige 2] in combinatie met de opvoeding van [voornaam minderjarige 1] , vraagt te veel van de moeder. Eerder is daarom al overwogen dat dagbesteding voor [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is. Het heeft lang geduurd voordat deze dagbesteding geregeld is, maar inmiddels is de aanmelding gedaan en kan [voornaam minderjarige 2] na de zomervakantie starten. De moeder geeft aan dit zelfstandig geregeld te hebben. De moeder ziet immers de noodzaak hiervan in. Hoewel het allerminst bevorderlijk is voor de samenwerking tussen de moeder en de huidige GI dat de moeder de GI niet betrekt bij belangrijke zaken omtrent de kinderen, is dat gelet op haar eerdere ervaringen met de vorige GI niet geheel onbegrijpelijk. De betrokkenheid van de GI lijkt in deze casus eerder belemmerend dan helpend te zijn geweest, ondanks de goede intenties. Gelet op het feit dat de moeder de zorgen erkent en openstaat voor hulp en ondersteuning bij de kinderen, wijst de kinderrechter het verzoek af.
5.3.
Omdat op dit moment nog niet duidelijk is of de dagbesteding vanuit ASVZ passend en voldoende intensief is, is het van zeer groot belang dat de moeder daadwerkelijk aan de bel trekt op het moment dat het niet goed gaat, ongeacht haar eerdere negatieve ervaringen. Moeder dient te allen tijde het belang van de kinderen voor haar eigen belang te stellen en dat betekent dat zij hulp moet vragen als ze zaken zelf niet goed genoeg geregeld krijgt. Tevens is het van belang dat er nog aan afsluitend gesprek tussen de GI en de moeder zal plaatsvinden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2024 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 25 juli 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.