Het geschil betreft de juridische grens tussen de appartementsrechten van de begane grond (bedrijfsruimte) en de eerste verdieping met tuin van een pand in Rotterdam, met name over het gebruik van bergingen en een berghok. De splitsingsakte en -tekening uit 2003 vormen de basis voor de uitleg van de grens. De rechtbank concludeert dat de bergingen en het berghok behoren tot het appartementsrecht van de begane grond, en niet tot dat van de eerste verdieping met tuin.
De vordering van de eigenaar van de eerste verdieping om ontruiming van de bergingen te verkrijgen wordt toegewezen, waarbij een dwangsom wordt opgelegd. Een beroep op verkrijgende verjaring wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van goede trouw. De vorderingen over diverse nutsvoorzieningen en leidingen worden afgewezen, omdat deze voorzieningen grotendeels berusten op afspraken tussen partijen en het uitgangspunt van redelijkheid en billijkheid tussen appartementseigenaren.
De rechtbank veroordeelt de eigenaar van de eerste verdieping tot ontruiming van de bergingen binnen twee maanden, wijst de proceskosten in conventie toe aan de begane grond eigenaar, en compenseert de proceskosten in reconventie. Het vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en op 28 augustus 2024 uitgesproken.