Op 20 oktober 2022 ontstond een verkeersruzie in Rotterdam waarbij de verdachte het horloge van het slachtoffer stal. De diefstal werd voorafgegaan door geweld met een scherp voorwerp, geïdentificeerd als een lifehammer, waarmee het slachtoffer letsel opliep. De verdachte ontkende het gebruik van geweld, maar de rechtbank hechtte meer waarde aan de verklaring van het slachtoffer en het aanwezige letsel.
De rechtbank stelde vast dat het bewezen feit strafbaar is en dat de verdachte strafbaar is. De ernst van het feit, het gebruik van geweld op de openbare weg en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte werden meegewogen bij de strafoplegging. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, waarbij rekening werd gehouden met het impulsieve karakter van de daad en het tijdsverloop.
De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding, maar de rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging, die nihil werden begroot.
Het vonnis werd uitgesproken door de rechtbank Rotterdam op 8 augustus 2024, waarbij de jongste rechter het vonnis niet medeondertekende.