ECLI:NL:RBROT:2024:8837

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 september 2024
Publicatiedatum
11 september 2024
Zaaknummer
ROT 23/1676 (einduitspraak)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:57 AwbArt. 15 ParticipatiewetArt. 35 Participatiewet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing aanvraag op grond van Participatiewet wegens motiveringsgebrek

De rechtbank Rotterdam heeft op 9 september 2024 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaak tussen eiser en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. De procedure bouwt voort op een eerdere tussenuitspraak waarin een motiveringsgebrek in het bestreden besluit werd vastgesteld. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat verweerder ten onrechte de aanvraag van eiser heeft afgewezen met verwijzing naar de Wet op de huurtoeslag als passende voorziening. Volgens de Participatiewet is een diepgaandere inhoudelijke toets vereist. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraken. Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht van €50,- aan eiser vergoeden en een proceskostenvergoeding van €1.750,- betalen, gebaseerd op de inzet van een gemachtigde en de toepasselijke wegingsfactor.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer, bestaande uit voorzitter S. Veling en leden A. Dingemanse en A.M.E.A. Neuwahl, en is in het openbaar uitgesproken. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen en griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1676

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 september 2024 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit Rotterdam, eiser

(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. S. Duinhouwer en mr. V.E. van Dijk).

Procesverloop

Voor het verloop van de procedure tot en met 15 juli 2024 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum.
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak schriftelijk verklaard geen gebruik te maken van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet mogen afwijzen onder verwijzing naar de Wet op de huurtoeslag (Wht) als een passende en toereikende voorliggende voorziening. In het kader van artikel 15 van Pro de Participatiewet (PW) is een verdergaande inhoudelijke toets van de noodzaak van de vergoeding van de kosten aangewezen dan de enkele verwijzing naar de keuze van de wetgever in de Wht.
3.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder eisers aanvraag eerst alsnog op basis van artikel 35 van Pro de PW moet boordelen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen en daarbij rekening houden met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
5. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 875,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.750,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzitter, en mr. A. Dingemanse en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. E. Grondman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2024.
De griffier is verhinderd te tekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.