ECLI:NL:RBROT:2024:9179
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag voor meerdere jaren wegens ontbreken institutionele vooringenomenheid
Eiseres verzocht om compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2012 tot en met 2017. Voor 2013 en 2014 was compensatie toegekend, maar voor de overige jaren werd dit afgewezen omdat er geen sprake was van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden van overwegende aard. De rechtbank behandelde het beroep tegen deze afwijzingen.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij recht had op compensatie voor de jaren 2012, 2015, 2016 en 2017. Voor 2012 was onder meer van belang dat eiseres niet had aangetoond dat zij de stopzetting van de toeslag niet zelf had verricht. Voor 2015 en 2016 was er geen aanvraag en geen geregistreerde opvang. Voor 2017 was geen recht op toeslag omdat het jongste kind al ouder was en er geen geregistreerde opvang was. Over 2013 en 2014 was de compensatie definitief vastgesteld en niet bestreden.
Eiseres had tevens een verzoek gedaan tot inzage van haar persoonlijke dossier, maar de rechtbank stelde dat alleen de stukken die ten grondslag liggen aan het besluit behoefden te worden overgelegd, en dat het dossier geen aanwijzingen gaf dat stukken ontbraken.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van 10 maanden bij de bezwaarprocedure en kende daarom een schadevergoeding van €1.000,- toe. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten van eiseres inzake het schadeverzoek.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.