Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw (via een videoverbinding),
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .
Rechtbank Rotterdam
Partijen hebben een beëindigde affectieve relatie en een minderjarig kind. De man vordert onder meer de voorlopige toewijzing van het kind, een straatverbod voor de vrouw in de wijk Nieuwland te Schiedam, en een contactverbod. De vrouw voert verweer.
De voorzieningenrechter constateert ernstige escalaties en een zorgelijke situatie voor het kind, waarbij de vrouw het kind meerdere keren alleen bij de man heeft achtergelaten en ongepaste beelden heeft gemaakt. De raad voor de kinderbescherming doet een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling, wat de rechter passend acht om het belang van het kind te waarborgen. Daarom wijst de rechter de vordering tot toewijzing van het kind af.
De rechter stelt vast dat er in hoge mate aannemelijke feiten zijn die een straatverbod en contactverbod rechtvaardigen, waaronder incidenten met een mes en dreigende uitingen van de vrouw. Het straatverbod wordt beperkt tot de wijk Nieuwland te Schiedam en het contactverbod tot telefonisch en e-mailcontact. De vordering tot gijzeling als dwangmiddel wordt afgewezen omdat minder zware middelen eerst moeten worden beproefd.
Ten slotte bepaalt de rechter dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen, conform het uitgangspunt in het familierecht. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Straat- en contactverbod tegen vrouw toegewezen, vordering tot gijzeling en toewijzing minderjarige afgewezen.