Uitspraak
[eiser 1], uit Brielle, eiser 1 (ROT 21/3171);
[eiseres 2], uit Brielle, eiseres 2 (ROT 21/3172);
3.
[eiser 3A] en [eiser 3B], uit Brielle, eisers 3 (ROT 21/3173);
4.
[eiseres 4], uit Brielle, eiseres 4 (ROT 21/3174);
5.
[eiser 5], uit Brielle, eiser 5 (ROT 21/3175);
6.
[eiser 6], uit Brielle, eiser 6 (ROT 21/3176);
7.
[eiser 7], uit Brielle, eiser 7 (ROT 21/3177);
8.
[eiser 8], uit Brielle, eiser 8 (ROT 21/3199);
9.
[eiseres 9], uit Nieuwerkerk aan den IJssel, eiseres 9 (ROT 21/3423),
(gemachtigde voor alle eisers:mr. H.E. Jansen-van der Hoek),
Eisers en het college hebben nadere stukken ingediend.
Het bouwwerk is inmiddels gerealiseerd.
Het bouwplan is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan, omdat de maximumbouwhoogte van 6 m uit artikel 7.2, onder b, van de planregels wordt overschreden. Het college is daarom met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3º, van de Wabo afgeweken van het bestemmingsplan.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 31 augustus 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Bij de toetsing aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening beoordeelt de rechtbank uitsluitend de afwijking zelf. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk maakt, is al beoordeeld bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Daarvan moet in deze procedure worden uitgegaan. Dat betekent dat de rechtbank in dit geval alleen de ruimtelijke aanvaardbaarheid kan toetsen van de verhoging van de bouwhoogte.
Eisers 3 hebben in antwoord op schriftelijke vragen van de rechtbank verduidelijkt dat van de personen op de namenlijst alleen [eiser 3B] moet worden beschouwd als mede-indiener van het beroepschrift. De overige personen op de lijst zijn alleen steunbetuiger of hebben onder een ander zaaknummer een eigen beroepschrift ingediend.
Het college stelt dat er strijd is met de goede procesorde. Het gaat hier echter uitsluitend om de beantwoording van de vraag namens wie het beroepschrift is ingediend. De rechtbank moet die vraag hoe dan ook beantwoorden. Het oordeel van de rechtbank hierover is in de eerste plaats gebaseerd op het beroepschrift, dat op 15 juni 2021 is ingediend. Eisers hebben met hun brief van 9 juli 2024 een nadere toelichting gegeven, omdat de rechtbank daarnaar heeft gevraagd. De toelichting is bovendien niet zo ingewikkeld of omvangrijk dat de goede procesorde zich ertegen verzet om deze in de beoordeling te betrekken.
[eiser 3B] heeft geen zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpbesluit. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, volgt echter dat een belanghebbende die geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht toch beroep kan instellen bij de bestuursrechter tegen een omgevingsrechtelijk besluit dat met afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid. De rechtbank moet daarom beoordelen of [eiser 3B] belanghebbende is.
De afstand van de woning van [eiser 3B] tot de locatie is ongeveer 45 m. Het college heeft gesteld dat [eiser 3B] geen zicht heeft op de locatie en dat zich tussen haar woning en de locatie nog een schuur bevindt. Uit de door de rechtbank geraadpleegde gegevens, waaronder Google Maps, blijkt dat laatste echter niet. Vanwege de geringe afstand en het zicht vanuit de woning op de locatie is de rechtbank van oordeel dat [eiser 3B] belanghebbende is bij het bestreden besluit.
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is iemand belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als sprake is van een objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks bij het besluit betrokken en actueel belang.
Volgens eisers is het bouwwerk een gebouw, omdat het houtskelet toegankelijk is voor mensen en overdekt is en gedeeltelijk met (opengewerkte) wanden is omsloten. Door de verschillende lagen, trappen en verdiepingen heeft het houtskelet een vrijwel dichte structuur. Eisers betogen dat een overdekte ruimte geen dak hoeft te hebben. Zij betogen dat er ook sprake is van een overdekte ruimte als sprake is van een platte afdekking in de zin van artikel 1.59 van de planregels. Dat is volgens hen het geval, omdat het bouwwerk in ieder geval voor twee derde is afgedekt.
Volgens artikel 1.59 van de planregels is een platte afdekking een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan twee derde van de grondoppervlakte van het gebouw beslaat.
Dat in de kennisgeving van het bestreden besluit iets anders is vermeld, is het gevolg van een verschrijving. Uit het bestreden besluit zelf blijkt voldoende duidelijk dat het college het bouwwerk niet als gebouw beschouwt.
De beroepsgrond slaagt niet.
Eisers voeren ook aan dat het college zich niet had mogen baseren op het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Volgens hen sluit de positieve conclusie van het advies van de RCE niet aan op de inhoud. Eisers betogen dat het college het advies van de RCE niet als positief advies had mogen opvatten. Zij vinden ook dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen.
De RCE heeft op 18 november 2020 en op 1 maart 2021 advies uitgebracht. Het eerste advies was negatief en de conclusie in het tweede advies was positief. Eisers leiden uit het advies af dat ook als de zijbeuken worden weggehaald er nog steeds een aantasting is van Bastion IX. Verder blijkt uit het advies dat de bouwhistorische verkenning slechts digitaal heeft plaatsgevonden, dat geen bezoek is gebracht aan de locatie en dat het onderzoek onder tijdsdruk tot stand is gekomen.
In het advies staat daarnaast dat de funderingsresten moeten worden gemonitord. De RCE heeft in eerste instantie negatief geadviseerd vanwege het risico op fysieke schade aan het rijksmonument Noordpoort , maar is later toch akkoord gegaan met een verankering van het houtskelet in het monument zelf, omdat daarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van de gaten die bij de proefboringen al gemaakt zijn. Uit het voorstel om een monitoringsplan op te stellen blijkt volgens hen dat de RCE ondanks de aanpassingen van het plan bevreesd is voor schade aan het rijksmonument op langere termijn.
Op grond van artikel 19.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden met de bestemming “Waarde – Cultuurhistorie-1” mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de cultuurhistorische waarden die samenhangen met het historische kerngebied van het beschermde stadsgezicht.
Het college wijst erop dat zowel de gemeentelijke monumentencommissie als de RCE positief hebben geadviseerd. Dat de RCE eerst negatief en na nader onderzoek en aanpassingen aan het ontwerp positief heeft geadviseerd, betekent volgens het college niet dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Met een aantal aanpassingen, zoals het weglaten van de zijbeuken en een aantal loopbruggen, vindt de RCE het bouwplan aanvaardbaar. De aanvraag is in overeenstemming met het advies van de RCE aangepast. De RCE heeft ook de voorwaarde gesteld dat het muurwerk langdurig wordt gemonitord en het college heeft die voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden.
Uit de overwegingen van het advies blijkt dat de RCE mogelijke aantastingen ziet wat betreft de ontgraving, de reconstructie van de stadsmuur en het muurwerk van de resten van de Noordpoort . De ontgraving is, zoals ook in het advies staat, niet meer aan de orde, zodat het middeleeuwse muurwerk bedekt blijft. De RCE had vanwege de gevolgen voor de ruimtelijke beleving van Bastion IX bezwaren tegen de reconstructie van de stadsmuren aan weerszijden van de Noordpoort . Deze zijbeuken zijn conform het advies van de RCE uit het plan verwijderd. Volgens het advies zal de ruimtelijke beleving van het bastion minder worden aangetast als de ingreep wordt beperkt tot alleen een reconstructie van de Noordpoort zelf. Anders dan eisers betogen, kan daaruit niet worden afgeleid dat er volgens de RCE ook na deze aanpassing nog een onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische waarden plaatsvindt. Ten aanzien van het muurwerk kan volgens de RCE akkoord worden gegaan met de gekozen wijze van verankering en wordt monitoring geadviseerd; dat laatste is in de omgevingsvergunning voorgeschreven. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze punten niet worden afgeleid dat het advies van de RCE in feite negatief is. Overigens blijkt uit stukken die het college heeft overgelegd dat bij de realisatie van het bouwwerk een zetting van 0-2 mm is opgetreden. Dat is minder dan de berekende maximaal acceptabele zetting van 2-5 mm. De zetting leidt daarom volgens het college niet tot schade aan het historische metselwerk.
De rechtbank is het met het college eens dat het enkele feit dat de RCE na een aanvankelijk negatief advies toch een positief advies heeft gegeven, niet betekent dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het tweede advies blijkt duidelijk dat het gewijzigde standpunt van de RCE te maken heeft met een aantal aanpassingen aan het ontwerp. De conclusie van het tweede advies sluit dan ook aan op de daaraan voorafgaande overwegingen.
Ook overigens ziet de rechtbank in wat eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit op het advies van de RCE heeft mogen baseren. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
Gelet hierop is het bouwplan niet in strijd met de artikelen 7.1, aanhef en onder c, en artikel 19.1, aanhef en onder a, van de planregels. De beroepsgrond slaagt ook in zoverre niet.
De rechtbank begrijpt het betoog van eisers zo dat zij aanvoeren dat dit voorschrift niet toereikend is. De rechtbank is van oordeel dat het voorschrift op zichzelf toereikend is. Het voorschrift komt overeen met wat de RCE in zijn advies van 1 maart 2021 heeft geadviseerd. De manier waarop de monitoring in de praktijk wordt uitgevoerd en of dat langdurig genoeg gebeurt, is een kwestie van handhaving die in deze procedure niet kan worden beoordeeld.
Daarnaast is het bouwplan volgens eisers in strijd met artikel 21.2, onder c, van de planregels. Op grond daarvan mag ten behoeve van andere bestemmingen uitsluitend worden gebouwd indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken. De oppervlakte van bouwwerken mag, voor zover gelegen op of onder peil, niet worden uitgebreid en er moet gebruik worden gemaakt van de bestaande fundering. Eisers stellen dat de footprint van het houtskelet groter is dan die van de aanwezige funderingsresten. De funderingsresten hebben een soort H als footprint en het houtskelet een vierkant.
Eisers stellen verder dat niet is voldaan aan de in artikel 21.3 opgenomen voorwaarden om af te wijken van artikel 21.2, onder c, van de planregels. Afwijking is mogelijk als de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Volgens eisers worden de bouwregels voor de bestemming “Groen” niet in acht genomen, omdat niet ten behoeve van die bestemming wordt gebouwd, er een gebouw wordt gebouwd en de maximumbouwhoogte wordt overschreden. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat een waterschapsvergunning zal worden aangevraagd, maar het is onduidelijk of die is aangevraagd en verleend.
“Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.”
Artikel 21.2, onderdeel c, stelt wel de voorwaarde dat het alleen mag gaan om vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Naar het oordeel van de rechtbank is aan die voorwaarde voldaan. Het houtskelet wordt gebouwd op de bestaande fundamenten van de Noordpoort , zodat sprake is van de verandering van een bestaand bouwwerk. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande fundering. Anders dan eisers betogen, wordt de oppervlakte niet uitgebreid. Volgens artikel 2.8 van de planregels wordt de oppervlakte van een bouwwerk gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Volgens die definitie zou inderdaad van de footprint van het gebouw moeten worden uitgegaan. In artikel 21.2, onder c, gaat het echter uitdrukkelijk alleen om de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil. Die oppervlakte neemt niet toe, omdat het houtskelet volledig op de bestaande fundamenten wordt geplaatst en daarbuiten nergens de grond raakt.
Een andere voorwaarde in artikel 21.2, onder c, is dat moet worden gebouwd met inachtneming van de (bouw)regels voor – in dit geval – de bestemming “Groen”. De rechtbank is hiervoor al tot het oordeel gekomen dat het bouwplan niet in strijd is met die regels. Er wordt gebouwd ten behoeve van de bestemming “Groen” en er is geen sprake van een gebouw. Alleen de bouwhoogte is in strijd met de planregels, maar daarvoor is met het bestreden besluit een afwijking vergund.
In de eerste plaats betogen eisers onder verwijzing naar het archeologisch rapport bij de ruimtelijke onderbouwing en het advies van de RCE van 18 november 2020 dat de archeologische waarden onevenredig en onherstelbaar worden aangetast door het gedeeltelijk verdiepen van het bastion en door de tien groutankers waarmee het houtskelet in de grond wordt verankerd.
Daarnaast betogen eisers het houtskelet, mede door het materiaal, afbreuk doet aan karakteristiek van het beschermd stadsgezicht. Verder stellen zij onder verwijzing naar de contra-expertise dat afbreuk wordt gedaan aan het uiterlijk en de beleefbaarheid van Bastion IX als plek met een grote cultuurhistorische waarde. Door alleen de gebeurtenissen op en rond 1 april 1572 te benadrukken, wordt afbreuk gedaan aan de verschillende tijdlagen. Daarnaast stellen zij onder meer dat de beoogde fysieke transparantie met het gekozen ontwerp niet wordt bereikt, waardoor de zichtas vanuit de Dijkstraat bijna volledig wordt geblokkeerd en de zichtbaarheid en beleefbaarheid van Bastion IX wordt aangetast. Verder is het ontwerp niet waarheidsgetrouw en is het gebruik van hout niet op zijn plaats, aldus eisers.
In artikel 19.5.3 is het volgende bepaald:
“De werken en werkzaamheden, zoals in lid 19.5.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:
Eisers hebben ook gewezen op het gedeeltelijk verdiepen van het bastion en op de verankering van het houtskelet met groutankers. Die werkzaamheden kunnen wel aan artikel 19.5.3 van de planregels worden getoetst. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er op dat punt geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische en archeologische waarden. Het college kon zich daarbij baseren op de positieve adviezen van de RCE en de gemeentelijke monumentencommissie. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor onder 17.3 en 17.4 is overwogen. Zoals daar is vermeld, is ook van belang dat het ontgraven niet meer aan de orde is. Er wordt nog slechts tot 50 cm diepte ontgraven, zodat het middeleeuwse muurwerk geheel bedekt blijft.
De beroepsgrond slaagt niet.
Eisers wijzen er verder op dat volgens de structuurvisie de recreatieve waarde van de vesting moet worden benut of vergroot door het beleefbaar maken van de cultuurhistorie en archeologische resten. Het plaatsen van het niet-realistische houtskelet doet de vesting geweld aan en draagt niet bij aan het beleefbaar maken van de vesting.
Daarnaast stellen eisers dat de 57 m hoge toren van de Catharijnekerk in 1572 al aanwezig was en een markant punt is. Er zijn binnen de vesting van Brielle verder geen opvallend hoge gebouwen aanwezig en een op zichzelf staand houtskelet van 10 m hoogte is daarom detonerend en in strijd met de structuurvisie, aldus eisers.
- goed kunnen wonen en leven in de gemeente;
- de cultuurhistorische identiteit van Brielle;
- een bij het karakter van de gemeente passende economische ontwikkeling.
Eisers hebben geen specifieke onderdelen van de structuurvisie genoemd waarmee het bouwplan in strijd zou zijn. De rechtbank stelt bovendien vast dat in de structuurvisie niets specifieks is opgenomen over bouwhoogten en zichtlijnen. Daarom is vooral van belang of de ruimtelijke ontwikkeling bijdraagt aan de cultuurhistorische identiteit van Brielle.
De rechtbank verwijst op dit punt allereerst naar overweging 17.4 van deze uitspraak over de gevolgen voor de cultuurhistorische waarden. Uit die overweging volgt ook dat het college ervoor kon kiezen om de geschiedenis door middel van de abstracte replica van de Noordpoort beleefbaar te maken. Het beleefbaar maken van de cultuurhistorische en archeologische waarden is in paragraaf 4.1.2 van de structuurvisie genoemd. Op dit punt is er naar het oordeel van de rechtbank geen strijd met de structuurvisie.
De rechtbank volgt het standpunt van het college dat de karakteristieke zichtlijnen van en naar de vesting voldoende behouden blijven, onder meer omdat langs het bouwwerk kan worden gekeken. Daarbij heeft het college gesteld dat het bouwwerk ongeveer 10 m breed is, terwijl het bastion minimaal 80 m breed is.
De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat de bouwhoogte in strijd is met de structuurvisie. De structuurvisie bepaalt hier niets specifieks over. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook in zoverre geen sprake is van een aantasting van de cultuurhistorische waarden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bouwhoogte van 10 m aanzienlijk lager is dan die van de door eisers genoemde karakteristieke kerktoren, dat Bastion IX op ruime afstand daarvan ligt en dat een deel van de dichtstbijzijnde bebouwing in de Dijkstraat een vergelijkbare bouwhoogte heeft.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijke beleid uit de structuurvisie. De beroepsgrond slaagt niet.
- Bezonning
Alternatieven
Verder blijkt volgens eisers uit de contra-expertise dat naast het uitgraven, conserveren en presenteren ook met moderne presentatie- en projectietechnieken een veel beter en minder verstorend resultaat bereikt had kunnen worden. Dit is bovendien veel goedkoper. Volgens eisers had het gemeenschapsgeld met een alternatief plan veel beter besteed kunnen worden.
De beroepsgrond slaagt niet.
Wat eisers naar voren hebben gebracht over de fase voor de indiening van de aanvraag geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. De beroepsgrond slaagt niet.
Op basis van de richtlijnen van de Hoge Raad, zoals omschreven in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, die ook hier van toepassing zijn, oordeelt de rechtbank als volgt.
De omstandigheid dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Bij dit laatste blijft voorop staan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft.
De rechtbank ziet in dit geval reden om de schadevergoeding te matigen. Eisers hebben zich door dezelfde gemachtigde laten vertegenwoordigen. Zij hebben identieke beroepschriften ingediend en de latere aanvullingen zijn door de gemachtigde gezamenlijk namens alle eisers ingediend. De zaken zijn samen ter zitting behandeld. De rechtbank matigt het bedrag door het berekende bedrag aan schadevergoeding te delen door het aantal eisers dat gezamenlijk procedeert, met dien verstande dat aan elke eiser minimaal 25% van het oorspronkelijke bedrag wordt toegekend.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat betekent dat de zaken voor de vergoeding van de rechtsbijstandskosten worden beschouwd als één zaak. Omdat het om vier of meer samenhangende zaken gaat, wordt vervolgens op de vergoeding een wegingsfactor van 1,5 toegepast. [2] Dit leidt voor elk van eisers tot een bedrag van € 36,46 (€ 875,- x 0,25 x 1,5 : 9).
- verklaart de beroepen van eiseres 2, eiseres 4, eiser 7 en eiseres 9 niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen van eiser 1, eisers 3, eiser 5, eiser 6 en eiser 8 ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan eiser 1, eiseres 2, Stichting [naam stichting] , [eiser 3B] , eiseres 4, eiser 5, eiser 6, eiser 7, eiser 8 en eiseres 9, elk voor een bedrag van € 375,-;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eisers 1 tot en met 9, elk voor een bedrag van € 36,46.
[…]