De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2010 en 2014, vanwege zorgen over hun ontwikkeling en de opvoedcapaciteiten van de ouders. De kinderen wonen bij de moeder, die eerder overbelast was, en er is behoefte aan strakke regie vanuit de gecertificeerde instelling (GI) William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
De moeder en vader waren aanwezig bij de zitting en gaven hun standpunten. De moeder betwistte de noodzaak van ondertoezichtstelling en gaf aan dat zij zelf hulpverlening had geregeld en volledig meewerkt. De vader voelde zich niet gehoord en zag geen meerwaarde in een nieuwe ondertoezichtstelling, hoewel hij beperkte draagkracht heeft.
De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan omdat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De hulpverlening is moeizaam verlopen en het is onduidelijk of de ouders voldoende meewerken. Daarom wordt de ondertoezichtstelling voor zes maanden vastgesteld en direct uitvoerbaar verklaard. Dit moet de noodzakelijke hulpverlening waarborgen en de positieve ontwikkelingen ondersteunen.