In deze zaak verzoekt de gecertificeerde instelling (GI) Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige te wijzigen, waarbij geen omgang wordt opgezet zolang de ondertoezichtstelling duurt. De GI baseert dit verzoek op het agressieve en bedreigende gedrag van de vader, wat heeft geleid tot veiligheidsmaatregelen en een aangifte bij de politie. De minderjarige woont bij de moeder, die het ouderlijk gezag heeft, en is onder toezicht gesteld tot februari 2026.
De vader betwist de beschuldigingen en stelt dat hij al vier jaar wacht op contactherstel met zijn kind. Hij verzoekt tevens om vervanging van de GI en een onderzoek naar ouderverstoting. De moeder en de GI benadrukken het belang van veiligheid en rust voor de minderjarige, die traumabehandeling zal ondergaan. De minderjarige heeft duidelijk uitgesproken geen contact met de vader te willen.
De kinderrechter oordeelt dat de omstandigheden sinds de eerdere beschikking zijn gewijzigd en dat het belang van de minderjarige voorop staat. Gezien het ontbreken van zicht op contactherstel binnen afzienbare tijd en de noodzaak van traumabehandeling, wijzigt de kinderrechter de omgangsregeling zodat geen omgang hoeft plaats te vinden gedurende de ondertoezichtstelling. Het verzoek tot vervanging van de GI en het verzoek tot deskundigenonderzoek worden afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.