AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening moratorium en niet-ontvankelijkheid schuldsaneringsverzoek
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. Zij heeft de huurovereenkomst per 1 juni 2025 opgezegd maar wenst later toch in de woning te blijven. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang of bedreigende situatie, mede omdat verzoekster al de huurovereenkomst heeft opgezegd en tijdelijk elders verblijft.
Daarnaast is het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284 FaillissementswetPro niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.
De rechtbank wijst het verzoek ex artikel 287b Faillissementswet af en verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Franken op 4 augustus 2025.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het verzoek tot schuldsanering wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
Verzoekster heeft op 27 juni 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 FaillissementswetPro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 27 juni 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 29 juli 2025.
Ter zitting van 29 juli 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
[naam 1] , werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V., gevestigd te Rotterdam, namens Stichting 3B Wonen (hierna: verweerster);
[naam 2] , werkzaam bij Stichting 3B Wonen, gevestigd te Bergschenhoek (hierna: verweerster).
[naam 1] , werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V. heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting op 24 juli 2025 aan de rechtbank een productieoverzicht toegezonden.
De advocaat van verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting op 25 juli 2025 en 28 juli 2025 aan de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2.Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft zich gewend tot Zuidweg & Partners om tot een oplossing te komen voor haar schuldenproblematiek. De schuldhulpverlening zit in de opstartfase en de schuldeisers zijn aangeschreven. Verzoekster is verplicht haar inkomsten over te maken naar Zuidweg & Partners. Dit is nog niet gebeurd. Verzoekster ontvangt een PW-uitkering en huurtoeslag. De huur bedraagt € 542,--. Uit de stukken blijkt dat er betalingen zijn verricht op 27 juni 2025 en 28 juli 2025. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat deze betalingen zien op de huur van de maand juli 2025 en augustus 2025.
Verzoekster heeft verklaard dat zij mantelzorger is voor haar moeder. Haar moeder is op dit moment in het ziekenhuis opgenomen en verzoekster woont nu tijdelijk in haar huis. Bij terugkeer uit het ziekenhuis gaat haar moeder op zoek naar een 55+ woning en zodra die is gevonden, is verzoekster voornemens haar huurwoning te [plaatsnaam 1] weer te betrekken. Weliswaar heeft verzoekster de huurovereenkomst van haar woning te [plaatsnaam 1] per 1 juni 2025 opgezegd om de ontruiming en de daarbij komende kosten te voorkomen, maar op die beslissing is zij teruggekomen. De advocaat van verzoekster bevestigt dat verzoekster op 11 juni 2025 aan verweerster heeft laten weten haar standpunt te hebben gewijzigd en in de woning te [plaatsnaam 1] wil blijven wonen. In dat verband is ook een verzet procedure gestart bij de kantonrechter.
3.Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij erkent dat er betalingen zijn ontvangen, maar zonder nadere omschrijving worden deze niet aangemerkt als betalingen voor de maanden juli 2025 en augustus 2025. Verzoekster heeft bovendien zelf de huurovereenkomst opgezegd per 1 juni 2025. Deze huuropzegging is door verweerster geaccepteerd en er heeft een eindinspectie plaatsgevonden. Verzoekster had zich ook uitgeschreven van het adres [adres 1] maar heeft zich daar enkele dagen voor deze zitting weer terug ingeschreven. Overigens vraagt verweerster zich af of verzoekster ook voordat zij de huur had opgezegd wel daadwerkelijk woonachtig is geweest op het adres. Daarvoor zijn verschillende signalen, waaronder het niet in contact kunnen komen met verzoekster en het aantreffen van een overvolle brievenbus.
4.De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Verzoekster heeft een kopie van het vonnis van de kantonrechter van 25 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 6 juni 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 1 juli 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster. Uit de overgelegde stukken van verweerster van 24 juli 2025 blijkt dat verzoekster per 1 juni 2025 – reeds voordat het ontruimingsexploot is betekend – de huurovereenkomst heeft opgezegd. Ter zitting heeft verzoekster dit bevestigd en verklaard dat zij thans woonachtig is op het adres van haar moeder. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een (spoedeisend) belang dan wel een bedreigende situatie zoals is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw, Nu er geen sprake is van een (spoedeisend) belang dan wel een bedreigende situatie, zal het verzoek worden afgewezen.
Ten aanzien van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling oordeelt de rechtbank als volgt. Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5.De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2025.