Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om ontruiming van zijn woonruimte te voorkomen. De huurachterstand is ontstaan door verslavingsproblematiek, waarvoor verzoeker in behandeling is geweest. Sinds maart 2025 staat verzoeker onder beschermingsbewind en ontvangt hij een WIA-uitkering van circa € 2.142,72 per maand, terwijl de huur € 975 bedraagt.
De verhuurder, verweerster, betwist de toewijzing en wijst op eerdere betalingsproblemen en het niet nakomen van afspraken. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege een aangekondigde ontruiming en dat het moratorium beoogt een adempauze te bieden aan schuldenaren.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en schuldhulpverlening wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster. De lopende huurtermijnen zijn inmiddels voldaan, ondanks enkele vertragingen en administratieve fouten. Daarom wordt de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig blijven plaatsvinden.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het lopende moratorium en het minnelijk traject dat nog niet is afgerond. De voorziening geldt vanaf 23 juni 2025 en wordt schriftelijk gemonitord.