In deze arbeidszaak verzoekt de werknemer de vernietiging van zijn ontslag op staande voet en diverse vergoedingen. De werknemer betoogt dat hij zijn werkzaamheden vanuit Rotterdam verrichtte, maar de werkgever toont aan dat hij feitelijk vanuit het buitenland werkte.
De kantonrechter stelt vast dat de werknemer sinds november 2021 is uitgeschreven uit Nederland en zijn werkzaamheden de laatste maanden niet vanuit Rotterdam verrichtte. Dit leidt tot het oordeel dat de Rechtbank Rotterdam niet bevoegd is om de zaak te behandelen.
De zaak wordt daarom verwezen naar de Rechtbank Amsterdam, waar de werkgever is gevestigd en die bevoegd is op grond van de plaats van vestiging en de plaats waar de arbeid gewoonlijk werd verricht. De procedure wordt voortgezet bij de Rechtbank Amsterdam.