ECLI:NL:RBROT:2025:10427

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
11656647 CV EXPL 25-9750
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 140 lid 3 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde facturen en incassokosten door voormalige vennoten

De Staat der Nederlanden vordert betaling van € 892,60 voor inspectiekosten verricht ten behoeve van een vennootschap onder firma die inmiddels is uitgeschreven uit het handelsregister. De voormalige vennoten, gedaagden, worden aangesproken omdat de vennootschap de facturen niet heeft voldaan.

Gedaagde 1 verschijnt niet in de procedure, waardoor verstek tegen hem wordt verleend. Gedaagde 2 betwist de eis, maar reageert niet op de repliek, waardoor de feiten als vaststaand worden aangenomen. De rechtbank wijst de hoofdsom, incassokosten van € 162,01 en wettelijke rente toe.

Daarnaast worden de proceskosten van € 969,78 aan gedaagden opgelegd. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de Staat der Nederlanden direct kan overgaan tot uitvoering, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 1.180,43 met rente en incassokosten aan de Staat der Nederlanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11656647 CV EXPL 25-9750
datum uitspraak: 15 augustus 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Staat der Nederlanden,
vestigingsplaats: ‘s-Gravenhage,
eiseres,
gemachtigde: Flanderijn,
tegen

1.[gedaagde 1],

woonplaats: Capelle aan den IJssel,
die niet in de procedure is verschenen,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: Rotterdam,
gemachtigde: mr. M.F. Fattal,
gedaagden.
De partijen worden hierna ‘Staat der Nederlanden’, ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hierna tezamen ‘gedaagden’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaardingen van 4 april 2025 en 14 april 2025, met bijlagen;
  • het antwoord van [gedaagde 2], met bijlagen;
  • de repliek, met bijlagen.
1.2.
[gedaagde 2] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de conclusie van repliek, maar heeft dat niet gedaan.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Staat der Nederlanden eist in deze zaak betaling van € 892,60 met rente en incassokosten. Daarvoor heeft zij het volgende aangevoerd.
2.1.1.
Staat der Nederlanden heeft diverse inspecties verricht ten behoeve van de vennootschap onder firma [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf]). Gedaagden zijn de voormalige vennoten van deze vennootschap onder firma, die inmiddels is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De kosten van de inspecties zijn bij [naam bedrijf] in rekening gebracht bij facturen van 25 maart, 8 april, 17 juni en 9 september 2020. [naam bedrijf] heeft de facturen niet betaald. Staat der Nederlanden wil dat gedaagden worden veroordeeld om de facturen te betalen. Omdat [naam bedrijf] niet op tijd heeft betaald, wil Staat der Nederlanden ook dat gedaagden een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente betalen.
2.2.
[gedaagde 2] heeft op de dagvaarding gereageerd en de eis betwist.
2.3.
Op de stellingen van de partijen zal hierna, voor zover dat van belang is voor de beoordeling, verder worden ingegaan.
Uitkomst
2.4.
Staat der Nederlanden wordt in het gelijk gesteld. Hierna wordt toegelicht waarom.
Tegen [gedaagde 1] wordt verstek verleend
2.5.
[gedaagde 1] is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet in het geding verschenen. De dagvaarding voldoet aan de wettelijk voorgeschreven formaliteiten. Tegen [gedaagde 1] wordt daarom verstek verleend. Omdat [gedaagde 2] wel in de procedure is verschenen, wordt één vonnis gewezen dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Rv Pro). Dit betekent dat [gedaagde 1] niet in verzet kan komen tegen dit vonnis.
Gedaagden moeten de hoofdsom betalen
2.6.
[gedaagde 2] heeft niet gereageerd op de repliek en dus niet aangegeven dat de feiten die in deze akte staan niet kloppen. Die staan daarom in deze zaak vast. Op basis daarvan wordt de geëiste hoofdsom toegewezen.
Gedaagden moeten incassokosten betalen
2.7.
De incassokosten van € 162,01 (inclusief btw) worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
Gedaagden moeten rente betalen
2.8.
De rente wordt toegewezen, omdat Staat der Nederlanden genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en gedaagden dat niet hebben betwist.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van gedaagden, omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die gedaagden aan Staat der Nederlanden moeten betalen op € 292,28 aan dagvaardingskosten (2 × € 146,14), € 340,- aan griffierecht, € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 969,78. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Staat der Nederlanden dat eist en gedaagden daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt gedaagden, hoofdelijk, om aan Staat der Nederlanden te betalen € 1.180,43 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 892,60 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt gedaagden, hoofdelijk, in de proceskosten, die aan de kant van Staat der Nederlanden worden begroot op € 969,78;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
43416