In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 29 augustus 2025 uitspraak gedaan over de hoofdverblijfplaats van drie minderjarigen. De moeder verzocht om vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij haar en om een raadsonderzoek te gelasten naar een zorgregeling en contactregeling met de vader. De vader is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling en heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank stelde vast dat de minderjarigen tijdelijk onder toezicht waren gesteld en dat zij na een periode in Bulgarije, waar de vader de twee jongste kinderen tegen de wil van de moeder had meegenomen, weer in Nederland bij de moeder verblijven. De moeder zorgt goed voor hen. Gezien het ontbreken van verweer en het belang van de kinderen, besloot de rechtbank de hoofdverblijfplaats bij de moeder toe te wijzen.
Het verzoek tot het gelasten van een raadsonderzoek werd afgewezen omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat en de moeder niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens zag de rechtbank geen aanleiding voor een dergelijk onderzoek. De proceskosten worden ieder door de eigen partij gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.