ECLI:NL:RBROT:2025:10432

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
C/10/674870 / FA RK 24-1698
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijfplaats minderjarigen toegewezen aan moeder, verzoek tot raadsonderzoek afgewezen

In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 29 augustus 2025 uitspraak gedaan over de hoofdverblijfplaats van drie minderjarigen. De moeder verzocht om vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij haar en om een raadsonderzoek te gelasten naar een zorgregeling en contactregeling met de vader. De vader is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling en heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank stelde vast dat de minderjarigen tijdelijk onder toezicht waren gesteld en dat zij na een periode in Bulgarije, waar de vader de twee jongste kinderen tegen de wil van de moeder had meegenomen, weer in Nederland bij de moeder verblijven. De moeder zorgt goed voor hen. Gezien het ontbreken van verweer en het belang van de kinderen, besloot de rechtbank de hoofdverblijfplaats bij de moeder toe te wijzen.

Het verzoek tot het gelasten van een raadsonderzoek werd afgewezen omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat en de moeder niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens zag de rechtbank geen aanleiding voor een dergelijk onderzoek. De proceskosten worden ieder door de eigen partij gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt bij de moeder vastgesteld en het verzoek tot raadsonderzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/674870 / FA RK 24-1698
Beschikking van 29 augustus 2025 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2],
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1]
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1]
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats 2].

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 8 mei 2024 inzake een voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro;
  • het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht van 4 juni 2024.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op
1 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. M.C.F.Y. de Vleesschauwer;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam].
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De oudste twee minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 1 augustus 2025 met de kinderrechter gesproken.

2.De verdere vaststaande feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2024 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleent bij de vrouw voor de duur van drie maanden. Deze kinderbeschermingsmaatregelen zijn niet verlengd.

3.De beoordeling

3.1.
Verblijfplaats en raadsonderzoek
3.1.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn. Daarnaast verzoekt zij een raadsonderzoek te gelasten naar de vraag of het in het belang van de minderjarigen is een zorgregeling vast te stellen en zo ja, een regeling te bepalen waarin dit wordt opgebouwd en de minderjarigen onder begeleiding contact met de man hebben.
3.1.2.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.1.3.
Nadat de man de twee jongste minderjarigen tegen de wil van de vrouw had meegenomen naar Bulgarije, hebben deze minderjarigen een tijd in Bulgarije moeten verblijven. De vrouw is de minderjarigen meteen gaan ophalen in Bulgarije maar moest wachten op nieuwe paspoorten voor de minderjarigen, omdat de man deze had verscheurd. Op dit moment zijn alle minderjarigen weer in Nederland bij de vrouw. Het gaat goed met de vrouw en de minderjarigen.
De rechtbank beslist ten aanzien van de hoofdverblijfplaats volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
3.1.4.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het verzoek tot het gelasten van een raadsonderzoek als volgt. Er is geen wettelijk grondslag waarop partijen een verzoek als deze kunnen baseren. Verzoekster is hierin niet-ontvankelijk en het verzoek zal reeds daarom worden afgewezen. Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding voor het gelasten van een raadsonderzoek zodat een verzoek aan de raad achterwege zal blijven.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 29 augustus 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.