De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding over de zorgregeling en communicatie tussen ouders met gezamenlijk gezag over een vierjarige minderjarige. De ouders oefenen co-ouderschap uit met een week-op-week-af regeling, maar de communicatie verloopt slecht en leidt regelmatig tot conflicten waarbij hulpverlening wordt ingeschakeld.
De rechtbank constateerde dat deze conflicten en het gebrek aan vertrouwen tussen de ouders nadelig zijn voor het belang van het kind. Een eerder hulpverleningstraject was niet van de grond gekomen en de relatie tussen ouders bleef verstoord. De kinderbeschermingsmaatregel was beëindigd omdat de zorgen vooral lagen in de verstoorde ouderrelatie en niet in de opvoedvaardigheden.
Partijen bereikten tijdens de zitting overeenstemming over de zorgregeling en spraken hun bereidheid uit deel te nemen aan een ouderschapsbemiddelingstraject. De rechtbank legde deze regeling vast en beval het hulpverleningstraject aan met het doel de communicatie en samenwerking tussen ouders te verbeteren in het belang van het kind.
De rechtbank bepaalde dat het hulpverleningstraject wordt begeleid door een uitvoerende instantie en dat het eindverslag van dit traject aan de rechtbank wordt verstrekt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.