De vrouw verzocht de rechtbank om de zorgregeling tussen haar en de man voor hun minderjarige kind vast te stellen. Tijdens de mondelinge behandeling gaf de man aan de voorkeur te geven aan een co-ouderschapsregeling, maar hij beschikt nog niet over eigen woonruimte om dit mogelijk te maken.
De rechtbank constateerde dat de huidige zorgregeling, waarbij de minderjarige om de veertien dagen een weekend bij de man verblijft, al geruime tijd wordt uitgevoerd. De vrouw wilde deze regeling enkel voor de duidelijkheid laten vastleggen. De man had eerder met deze regeling ingestemd, maar gaf aan dit destijds alleen te hebben gedaan omdat de vrouw de regeling toen niet altijd naleefde.
De rechtbank oordeelde dat het voorstel van de man om co-ouderschap te realiseren in de woning van de grootmoeder van vaderszijde niet in het belang van het kind is, mede omdat eerdere pogingen daartoe niet succesvol waren. De rechtbank achtte daarom voortzetting van de huidige zorgregeling het meest passend.
De beschikking legt de zorgregeling vast met specifieke afspraken over weekenden, vakanties en feestdagen. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en bepaalde dat elke partij zijn eigen proceskosten draagt. Het vonnis werd uitgesproken op 26 augustus 2025 door kinderrechter H.C.A. de Groot.