Eiseres stelt dat zij in opdracht van gedaagde vier vliegtickets heeft voorgeschoten voor familieleden die vanuit Suriname naar Nederland kwamen voor de uitvaart van de vader van gedaagde. Volgens eiseres was mondeling afgesproken dat gedaagde het bedrag van €3.520,- zou terugbetalen zodra de nalatenschap van haar vader vrijkwam. Gedaagde betwist het bestaan van deze mondelinge overeenkomst en stelt dat de afspraak uitsluitend tussen eiseres en haar zus, de zus van gedaagde, is gemaakt. Tevens voert gedaagde aan dat haar vader schulden had en geen nalatenschap heeft nagelaten.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft eiseres een getuigenverklaring van de zus van gedaagde overgelegd ter onderbouwing van haar stelling. Gedaagde heeft dit betwist. De rechtbank constateert dat niet is komen vast te staan dat tussen eiseres en gedaagde een mondelinge afspraak tot stand is gekomen. Omdat de stelplicht en bewijslast bij eiseres liggen, krijgt zij een bewijsopdracht om aan te tonen dat de opdracht tot het voorschieten van de vliegtickets daadwerkelijk door gedaagde is gegeven.
De rechtbank bepaalt een datum voor de rolzitting op 11 september 2025, waarbij eiseres schriftelijk bewijs en getuigen kan aanleveren. Gedaagde krijgt vervolgens de gelegenheid tot tegenbewijs. De procedure wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld. De kantonrechter wijst iedere verdere beslissing aan. Het vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens.