Werknemer trad op 1 april 2025 in dienst bij werkgever en werd op 22 mei 2025 op staande voet ontslagen wegens diefstal van een kofferset. Werkgever stelde dat werknemer goederen, waaronder een gereedschapskofferset, zonder toestemming had meegenomen, wat werd ondersteund door camerabeelden en facturen.
Werknemer betwistte de diefstal en beweerde dat het zijn eigen kofferset betrof, maar kon dit niet aantonen met bewijs zoals aankoopbonnen of het tonen van de kofferset zelf. Zijn verklaringen waren tegenstrijdig en onlogisch, onder meer over communicatie met leidinggevenden en de inhoud en het gewicht van de kofferset.
De kantonrechter concludeerde dat werkgever de bewijslast voor de dringende reden had voldaan en dat werknemer terecht op staande voet was ontslagen. Vanwege het ernstige verwijtbare handelen had werknemer geen recht op transitie- of billijke vergoeding. Tevens werd werknemer veroordeeld in de proceskosten.