De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van een ex-ondernemer om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) vanwege een problematische schuldensituatie. De verzoeker had geen minnelijke schuldregeling geprobeerd omdat de grootste schuldeiser, de Belastingdienst, niet wilde meewerken. De rechtbank achtte dit een gegronde reden om af te zien van de vereiste buitengerechtelijke regeling.
Tijdens de zitting verklaarde de verzoeker een Participatiewet-uitkering te ontvangen en actief te solliciteren, met plannen voor een zorgopleiding. De rechtbank wees op de verplichtingen binnen de WSNP, waaronder het voorkomen van nieuwe schulden en het voldoen aan informatie- en inspanningsverplichtingen. Een bewindvoerder en rechter-commissaris werden benoemd voor toezicht.
De rechtbank stelde vast dat de verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden voor een eerdere ingangsdatum van de WSNP, omdat onvoldoende bewijs werd geleverd van de vereiste sollicitatie-inspanningen. De WSNP-termijn startte daarom op de datum van het vonnis, 3 september 2025. De rechtbank wees het verzoek toe en legde de verplichtingen en consequenties van de regeling uit.