Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht de minister om overname van twee door haar betaalde informele schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De schulden betroffen bedragen aan haar zoon en diens vriend, respectievelijk €10.000 en €8.000. De minister wees het verzoek af omdat de schulden niet waren vastgelegd in een notariële akte, zoals vereist volgens artikel 4.1 van de Wht.
De rechtbank bevestigde dat de eis van een notariële akte bewust in de wet is opgenomen om zekerheid te bieden over het bestaan en de opeisbaarheid van schulden. Hoewel eiseres stelde dat deze eis onredelijk en discriminerend is, volgde de rechtbank de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die deze eis als bewijsrechtelijk correct beoordeelde. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft geweigerd de schulden over te nemen, mede omdat de stukken geen duidelijke afspraken of betalingsachterstanden bevatten.
Eiseres voerde tevens aan dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden wegens schrijnende omstandigheden. De rechtbank erkende het leed door de toeslagenaffaire, maar stelde vast dat geen actuele financiële nood of andere bijzondere omstandigheden waren aangetoond die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
Ten slotte behandelde de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gezien de vertragingen en uitstel van zittingen werd de redelijke termijn met acht maanden verlengd, maar was er toch sprake van overschrijding. De Staat werd veroordeeld tot betaling van €500,- schadevergoeding en €226,75 aan proceskosten.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.