De moeder verzocht de rechtbank om haar in het ouderlijk gezag over haar bijna achttienjarige zoon te herstellen. De minderjarige verblijft sinds 2016 onder voogdij van een gecertificeerde instelling en woont in een pleeggezin. De moeder stelde dat zij fysiek en emotioneel beschikbaar is en dat herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, mede omdat hij binnenkort een nieuwe opleiding start.
De gecertificeerde instelling en pleegouders stonden niet expliciet tegenover het herstel, maar uitten zorgen over de hulpverlening en de duurzame opvoedcapaciteit van de moeder. De pleegouders gaven aan dat zij de plaatsing zouden beëindigen zonder betrokkenheid van de instelling, vanwege het gebrek aan samenwerking met de moeder.
De rechtbank oordeelde dat de moeder onvoldoende had onderbouwd dat herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is en dat zij duurzaam de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kan dragen. De situatie van de minderjarige in het pleeggezin is stabiel en hij voelt zich daar comfortabel. Gezien de loyaliteitsconflicten en de noodzaak van een stabiele opvoedsituatie wees de rechtbank het verzoek af.
Het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de beslissing en het gelasten van een proefperiode werd eveneens afgewezen. De rechtbank vond geen noodzaak voor verandering in de huidige situatie, waarbij de minderjarige vrij kan bewegen tussen moeder en pleegouders.
Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening.