Werknemer werkte tot 1 april 2025 als medewerker hovenier en stelt dat hij op grond van zijn werkzaamheden en ervaring ingeschaald had moeten worden als hovenier A, met recht op een hoger loon. Hij vordert betaling van het verschil in loon, het restant van de transitievergoeding en vergoeding van advocaatkosten.
De kantonrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is, omdat het dienstverband is beëindigd en het geschil niet gaat over achterstallig loon maar over een meningsverschil over de juiste functie-inschaling. Daarnaast heeft werknemer veel tijd laten verstrijken tussen het einde van het dienstverband en het starten van de procedure.
Inhoudelijk acht de kantonrechter het aannemelijk dat de inschaling als medewerker hovenier niet juist was, maar onvoldoende gesteld is dat werknemer in de hogere functie van hovenier A had moeten worden ingeschaald. De werkzaamheden vonden onder toezicht van werkgever plaats en het toezicht op een ZZP'er valt niet onder leidinggeven zoals bedoeld in de functieomschrijving. De vordering wordt daarom afgewezen en werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.