Eiseres kreeg compensatie toegekend voor de periode januari 2009 tot en met februari 2010 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Voor de periode maart 2010 tot en met december 2012 werd compensatie afgewezen omdat eiseres vanaf maart 2010 geen doelgroeper meer zou zijn geweest en niet aannemelijk was gemaakt dat zij geregistreerde kinderopvang gebruikte.
Na bezwaar en beroep heeft de Dienst Toeslagen het besluit aangepast en compensatie toegekend over de periode tot februari 2010, maar de afwijzing over 2011 en 2012 gehandhaafd. De rechtbank beoordeelde het geschil en stelde vast dat het alleen ging om de jaren 2011 en 2012.
De rechtbank oordeelde dat hoewel sprake was van vooringenomenheid bij de uitvoering, compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan eiseres toerekenbaar zijn, waaronder het ontbreken van doelgroeperstatus en het niet gebruiken van geregistreerde opvang.
Eiseres stelde dat zij doelgroeper was omdat zij een traject volgde vergelijkbaar met arbeidsinschakeling en haar kinderen verplicht naar opvang gingen. De rechtbank vond echter geen bewijs in het dossier dat zij een dergelijk traject volgde, en de enkele stelling was onvoldoende.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank bepaalde dat Dienst Toeslagen het griffierecht en proceskosten aan eiseres moet vergoeden.