De zaak betreft een geschil tussen een werkneemster en haar werkgever over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst die feitelijk voor onbepaalde tijd was ontstaan. De werkgever had de arbeidsovereenkomst onterecht als tijdelijk beschouwd en opgezegd per 20 maart 2025, terwijl de werkneemster inmiddels meer dan 36 maanden in dienst was en daardoor recht had op een contract voor onbepaalde tijd.
De werkgever erkende haar fout en bood aan de werkneemster aan haar werkzaamheden te hervatten en het salaris over de niet-gewerkte periode te betalen. De werkneemster weigerde dit aanbod en vorderde onder meer een billijke vergoeding, transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding.
De kantonrechter stelde vast dat de opzegging onregelmatig was, maar dat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. De fout werd als slordig, maar niet ernstig verwijtbaar beoordeeld. De werkneemster had geen goede reden om het aanbod tot hervatting te weigeren, waardoor geen inkomensschade was ontstaan.
Verder werd geoordeeld dat de werkgever de arbeidsovereenkomst pas per 1 mei 2025 mocht opzeggen, waardoor een gefixeerde schadevergoeding van €3.167,34 bruto werd toegekend. Daarnaast moest de werkgever een aanvullende transitievergoeding van €86,77 bruto betalen en een correcte eindafrekening maken, waarbij het negatieve verlofsaldo niet mocht worden verrekend. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.