ECLI:NL:RBROT:2025:11939
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag voorrangsverklaring sociale indicatie wegens ontbreken zelfstandige woonruimte
Eiseres woont sinds juni 2024 met haar partner en vier minderjarige kinderen tijdelijk bij haar ouders en heeft in april 2025 een aanvraag ingediend voor een voorrangsverklaring op grond van sociale indicatie. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiseres niet beschikt over zelfstandige woonruimte en geen uitzonderingsgronden van toepassing zijn.
Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in, waarna zij tevens een voorlopige voorziening vroeg. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege de dreiging het ouderlijk huis te moeten verlaten, maar dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de situatie van eiseres onvoldoende uitzonderlijk is en vergelijkbaar met andere woningzoekenden in de regio met woningnood.
Eiseres voerde ook een beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikelen 3 en 27 IVRK aan, maar de voorzieningenrechter stelde vast dat deze geen recht op woonruimte garanderen en dat het college de belangen van de kinderen voldoende heeft meegewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.